You are hereHet nieuwe kaderdecreet voor de voorschoolse kinderopvang

Het nieuwe kaderdecreet voor de voorschoolse kinderopvang


By Tom Dehaene - Posted on 23 juni 2011

Ontwerp van decreet houdende de organisatie van de voorschoolse kinderopvang

DE VLAAMSE REGERING,

Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging,

BESLUIT:

De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin is ermee belast, in naam van de Vlaamse Regering, bij het Vlaams Parlement het ontwerp van decreet in te dienen, waarvan de tekst volgt:

Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepaling

Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Art. 2. In dit decreet wordt verstaan onder:
1° Kind en Gezin: het intern verzelfstandigd agentschap, opgericht bij het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin;
2° kinderopvang: voorschoolse kinderopvang, namelijk het beroepsmatig en tegen betaling opvoeden, bijdragen aan de ontwikkeling en verzorgen van kinderen tot ze naar de kleuterschool, vermeld in artikel 3, 26°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, gaan;
3° kinderopvangvoorziening: een vestigingsplaats waar kinderopvang georganiseerd wordt;
4° organisator: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die kinderopvang organiseert;
5° verantwoordelijke: de persoon die door de organisator is aangewezen om de kwaliteitsvolle werking van de kinderopvangvoorziening dagelijks te regelen;
6° begeleider: de persoon die door de organisator is aangewezen om de kinderen op te voeden, bij te dragen aan hun ontwikkeling en hen te verzorgen;
7° lokaal bestuur: het gemeentebestuur en het bestuur van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn. Voor de gemeenten uit het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, is dat de Vlaamse Gemeenschapscommissie;
8° Lokaal Overleg Kinderopvang: een gemeentelijke adviesraad inzake kinderopvang, ter uitvoering van artikel 6, §3, van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin;
9° lokaal loket kinderopvang: neutraal informatie- en ondersteuningspunt voor gezinnen met een vraag naar kinderopvang, in de vorm van een netwerk van actoren die relevant zijn voor kinderopvang;
10° toezichthouder: een organisatie die aangewezen is door de Vlaamse Regering om ter plaatse vast te stellen of de organisator de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan naleeft, om Kind en Gezin daarover te adviseren.

Onder meer de volgende activiteiten worden niet beschouwd als kinderopvang, met betrekking tot kinderen tot ze naar de kleuterschool gaan:
1° jeugdhulp, zoals gedefinieerd in artikel 2, 5°, van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de integrale jeugdhulp;
2° het bieden van exclusieve zorg aan kinderen met een handicap;
3° het bieden van medische zorg aan kinderen;
4° het passen op kinderen van klanten of bezoekers.

Art. 3. De Vlaamse Gemeenschap beoogt met kinderopvang een dienstverlening aan gezinnen die een economische, educatieve en sociale functie heeft, die kwaliteitsvol, beschikbaar, betaalbaar en rechtstreeks toegankelijk is voor elk kind zonder onderscheid, in aanvulling op de opvoeding van het kind in zijn gezin, met respect voor de draagkracht van het kind, zijn thuismilieu en de keuzevrijheid van de ouders.

Voor alle gezinnen die behoefte hebben aan kinderopvang, geldt een recht op kinderopvang. De Vlaamse Gemeenschap beoogt tegen 2016 een aanbod voor minstens de helft van de kinderen jonger dan drie jaar, en vanaf 2020 voor alle gezinnen met een behoefte aan kinderopvang, binnen een afgesproken budgettair kader.

Als het aanbod volstaat voor alle gezinnen met een behoefte aan kinderopvang, wordt dat recht zo ingevuld dat een gezin met een behoefte aan kinderopvang binnen een redelijke termijn een aanbod krijgt dat zo veel mogelijk rekening houdt met de geformuleerde behoefte en voorkeur. De Vlaamse Regering bepaalt de duur van de redelijke termijn en de invulling van de begrippen behoefte en voorkeur van de gezinnen.

Om voor alle gezinnen het recht, vermeld in het tweede lid, en de toegankelijkheid van kinderopvangvoorzieningen, vermeld in het eerste lid, te ondersteunen, worden lokale loketten kinderopvang opgericht als vermeld in artikel 14.

Zolang het aanbod niet volstaat voor alle gezinnen met een behoefte aan kinderopvang, bepaalt de Vlaamse Regering in functie van de toegankelijkheid welke groepen bij voorrang kunnen gebruikmaken van het aanbod waarvoor de organisator een subsidie ontvangt als vermeld in artikel 9 en 10.

De Vlaamse Regering houdt bij de programmatie van de subsidies rekening met een wetenschappelijk onderbouwde raming van de behoefte aan kinderopvang die minstens uitgaat van:
1° de vastgestelde nataliteit en de prognose van de toekomstige nataliteit in het Vlaamse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
2° het aantal kinderen dat kinderopvang gebruikt;
3° de gezinskenmerken en de werksituatie van gezinnen met niet-schoolgaande kinderen, vooral in het kader van de stimulering van de tewerkstellingsgraad;
4° het aantal plaatsen in vergunde kinderopvangvoorzieningen en de bezetting ervan;
5° de kenmerken van de gemeente.

Hoofdstuk 2. Vergunningsstelsel

Afdeling 1. Vergunningsplicht

Art. 4. Een organisator moet over een of meer van de volgende vergunningen van Kind en Gezin beschikken om de desbetreffende kinderopvangvoorziening te kunnen organiseren:
1° vergunning voor gezinsopvang, als de kinderopvang plaatsvindt buiten de gezinswoning van het kind door één begeleider;
2° vergunning voor groepsopvang, als de kinderopvang plaatsvindt buiten de gezinswoning van het kind door verschillende begeleiders;
3° vergunning voor opvang aan huis, als de kinderopvang plaatsvindt in de gezinswoning van het kind.

Met behoud van de toepassing van artikel 20 geldt een vergunning voor onbepaalde duur.

Een vergunning wordt toegekend als uit toezicht als vermeld in artikel 16 tot en met 18, blijkt dat de organisator van de kinderopvangvoorziening voldoet aan de vergunningsvoorwaarden, vermeld in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.

De organisator meldt tijdig de tijdelijke of definitieve stopzetting van de kinderopvang aan Kind en Gezin en aan de gezinnen van de op te vangen kinderen.

De Vlaamse Regering bepaalt de procedures voor de vergunning, inclusief de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen.

Art. 5. De vergunning voor groepsopvang en de vergunning voor gezinsopvang bevat minstens de volgende gegevens:
1° de organisator;
2° de vestigingsplaats;
3° het aantal vergunde kinderopvangplaatsen;
4° de datum van de toekenning van de vergunning.

De vergunning voor opvang aan huis bevat minstens de gegevens, vermeld in het eerste lid, 1° en 4°.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.

Afdeling 2. Vergunningsvoorwaarden

Art. 6. §1. De organisator voldoet voor zijn kinderopvangvoorziening aan alle voorwaarden met betrekking tot:
1° de verantwoordelijke, minstens zijn geattesteerde competenties en zijn actieve kennis van de Nederlandse taal;
2° de begeleider, minstens het aantal in functie van het aantal tegelijk aanwezige kinderen, zijn geattesteerde competenties en zijn actieve kennis van de Nederlandse taal;
3° de verantwoordelijkheidstoedeling en de vorming;
4° de groepsgrootte;
5° het pedagogische beleid en de pedagogische ondersteuning met het oog op het stimuleren van de ontwikkeling van elk kind op lichamelijk, cognitief, sociaal-emotioneel, communicatief, creatief en moreel vlak, met het oog op het waarborgen van het welbevinden en de betrokkenheid van elk kind;
6° het kwaliteitsbeleid, met inbegrip van een periodieke evaluatie door de gezinnen en een klachtenbehandeling;
7° het financieel beleid;
8° inspraak en participatie van kinderen en gezinnen;
9° de psychische en fysieke veiligheid en gezondheid;
10° niet-discriminatie van kinderen en gezinnen. Er mogen geen voorwerpen of tekenen aanwezig zijn die blijk geven van discriminatie of die racistisch, xenofoob of onwettig zijn, als de aanwezige voorwerpen of tekenen een nadelige invloed op de kinderen kunnen hebben;
11° de schriftelijke overeenkomst met de gezinnen en het huishoudelijk reglement;
12° de ruimte, bestemd voor kinderopvang, de uitrusting en de inrichting ervan.

§2. Wat de vergunning voor gezinsopvang en voor opvang aan huis betreft, beschikken de begeleiders, in aanvulling op de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, over een attest van een organisatie die beantwoordt aan de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering, waaruit na onderzoek blijkt dat de begeleider de draagkracht heeft om alleen werkend de kinderopvang uit te oefenen.

§3. De vergunningsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, 12°, gelden niet voor de organisator van opvang aan huis.

§4. Iedereen die in de kinderopvang direct contact heeft met de opgevangen kinderen, beschikt over:
1° een recent uittreksel uit het strafregister model 2 of een gelijkwaardig document voor wie niet in België gedomicilieerd is;
2° een recent attest van medische geschiktheid.

De organisator en de verantwoordelijke beschikken in elk geval over een recent uittreksel uit het strafregister model 2 of over een gelijkwaardig document voor wie niet in België gedomicilieerd is.

§5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot paragraaf 1 tot en met paragraaf 4.

Art. 7. De organisator werkt samen met en levert de benodigde informatie aan:
1° Kind en Gezin, in functie van zijn taak inzake de regie van de kinderopvang, vermeld in artikel 6, §1, van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin;
2° het lokaal loket kinderopvang, in functie van de opdrachten, vermeld in artikel 14;
3° het Lokaal Overleg Kinderopvang, in functie van zijn adviesrol ten aanzien van het lokaal bestuur inzake kinderopvang.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.

Hoofdstuk 3. Subsidiëring

Art. 8. De organisator met een vergunning voor gezinsopvang of een vergunning voor groepsopvang kan een basissubsidie ontvangen van Kind en Gezin.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.

Art. 9. De organisator met een vergunning voor gezinsopvang of een vergunning voor groepsopvang kan bovenop de subsidie, vermeld in artikel 8, een subsidie ontvangen van Kind en Gezin voor de realisatie van kinderopvang met een financiële bijdrage van het gezin op basis van het gezinsinkomen.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels, die minstens inhouden welke groepen bij voorrang toegang hebben tot kinderopvang met deze subsidie, de principes volgens dewelke gezinnen de door hen gereserveerde kinderopvangdagen betalen, alsook de vorm van en de voorwaarden voor de financiële bijdrage van de gezinnen op basis van het gezinsinkomen.

Art. 10. De organisator met een vergunning voor gezinsopvang of een vergunning voor groepsopvang kan bovenop de subsidie, vermeld in artikel 9, een subsidie ontvangen in functie voor kinderopvangopdrachten ter ondersteuning van kwetsbare gezinnen en ter bestrijding van kinderarmoede.

De Vlaamse Regering bepaalt de opdrachten en de regels, die minstens inhouden welke groepen bij voorrang toegang hebben tot opvang met de subsidie, en dat de kinderopvangvoorzieningen met de subsidie onderling en met het lokaal loket kinderopvang samenwerken met het oog op een opnamebeleid dat afgestemd is op kwetsbare gezinnen.

Art. 11. De organisator met een vergunning voor gezinsopvang of met een vergunning voor groepsopvang kan bovenop de subsidies, vermeld in artikel 8, 9 of 10, een subsidie ontvangen voor:
1° de organisatie van kinderopvang op flexibele openingstijden;
2° de organisatie van inclusieve kinderopvang voor kinderen met specifieke zorgbehoeften;
3° de ontwikkeling van vernieuwende projecten;
4° de eenmalige ondersteuning van specifieke opdrachten.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.

Art. 12. De Vlaamse Regering kan een subsidie toekennen aan:
1° de initiatiefnemer of de structuur die de organisatie van het lokaal loket kinderopvang op zich neemt voor de opdrachten, vermeld in artikel 14;
2° de organisator met een vergunning voor opvang aan huis.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.

Art. 13. De Vlaamse Regering kan aan de organisator met een vergunning voor groepsopvang of een vergunning voor gezinsopvang een terug te betalen subsidie toekennen ter overbrugging van kosten die inherent zijn aan de werking van de kinderopvangvoorziening.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.

Hoofdstuk 4. Lokaal loket kinderopvang

Art. 14. Binnen een gemeente is er één lokaal loket kinderopvang met de volgende opdrachten:
1° de registratie van de kinderopvangvragen en van de voorkeur van gezinnen voor kinderopvangplaatsen coördineren, zodat een gezin slechts één vraag hoeft te stellen in functie van wat wordt vermeld onder punt 2°. Het lokaal loket kinderopvang maakt daarvoor gebruik van het informatie- en registratiesysteem, vermeld in artikel 6, §1, 3°, van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin;
2° gezinnen binnen een redelijke termijn informeren over vrije kinderopvangplaatsen en hen zo nodig in contact brengen met de kinderopvangvoorzieningen, met aandacht voor maatschappelijk kwetsbare gezinnen;
3° samenwerken met kinderopvangvoorzieningen, met instanties die werken met gezinnen die kinderopvangvragen kunnen hebben, en met andere lokale loketten kinderopvang, in functie van de opdrachten, vermeld in punt 1° en 2°;
4° het lokaal bestuur of de lokale besturen, de kinderopvangvoorzieningen en Kind en Gezin informeren over de vragen naar kinderopvangplaatsen.

Het lokaal loket kinderopvang krijgt gestalte doordat binnen het Lokaal Overleg Kinderopvang een initiatiefnemer wordt aangewezen of een structuur wordt gecreëerd om het lokaal loket kinderopvang te organiseren. Elke lokale actor die relevant is voor kinderopvang, kan de organisatie op zich nemen. Als er geen initiatiefnemer wordt aangewezen of als er geen structuur wordt gecreëerd en een operationeel werkend lokaal loket kinderopvang ontbreekt, neemt het lokaal bestuur de organisatie ervan op zich.

Het lokaal loket kinderopvang kan betrekking hebben op verschillende gemeenten, binnen de grenzen van de zorgregio niveau kleine stad, vermeld in artikel 2, 5°, van het decreet van 23 mei 2003 betreffende de indeling in zorgregio’s en betreffende de samenwerking en programmatie van gezondheidsvoorzieningen en welzijnsvoorzieningen. Voor de gemeenten uit het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad beperkt een lokaal loket kinderopvang dat op verschillende gemeenten betrekking heeft, zich maximaal tot die gemeenten.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.

Hoofdstuk 5. Vernieuwende projecten Art. 15. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen om vernieuwende projecten inzake kinderopvang te organiseren en te subsidiëren.

Hoofdstuk 6. Handhaving
Afdeling 1. Toezicht

Onderafdeling 1: Toezichthouders
Art. 16. De Vlaamse Regering stelt een of meer toezichthouders aan. De toezichthouder wijst de toezichtpersonen aan die namens de toezichthouder het toezicht in de kinderopvangvoorziening uitoefenen.

De Vlaamse Regering bepaalt:
1° de voorwaarden en de procedure voor de aanwijzing van de toezichthouder;
2° de voorwaarden waaraan de toezichtpersoon moet voldoen;
3° de opdrachten van de toezichthouder;
4° de wijze waarop de toezichthouder wordt gecontroleerd.

Bij de uitoefening van zijn toezichtopdracht draagt de toezichtpersoon een legitimatiebewijs bij zich, dat hij, als het gevraagd wordt, meteen voorlegt. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere inhoud en het model van het legitimatiebewijs en bepaalt ook welk bestuursorgaan het legitimatiebewijs uitreikt.

Onderafdeling 2: Toezichtrechten

Art. 17. Toezichthouders beschikken over de volgende toezichtrechten, waarvan de toezichtpersoon alleen gebruikmaakt als dat nuttig is om de toezichtopdracht te vervullen:
1° het recht om op elk moment elke plaats te betreden. De aanvraag van een vergunning bevat een toestemming van de natuurlijke persoon die de lokalen bewoont, om controlebezoeken te laten uitvoeren in de bewoonde lokalen die voor kinderopvang dienen;
2° het recht om inzage te vorderen in documenten en andere informatiedragers. Daarvoor mag hij zich die informatiedragers laten voorleggen op de plaats die hij aanwijst. Hij mag zich van de documenten en andere informatiedragers kosteloos een kopie laten verstrekken of er zelf een kopie van maken. Als hij ter plaatse geen kopieën kan maken, mag hij de informatiedragers voor korte tijd meenemen. Hij mag de documenten of andere informatiedragers een tijd houden, om ze in te kijken of om ze te kopiëren, tegen afgifte van een schriftelijk ontvangstbewijs met een inventaris van de informatiedragers in kwestie;
3° het recht om vaststellingen te doen met behulp van audiovisuele middelen;
4° het recht van onderzoek van zaken;
5° het recht om bij de uitoefening van zijn toezichtopdracht de bijstand van de politie te vorderen.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.

Art. 18. De toezichtpersoon maakt een verslag op van zijn vaststellingen. Dat verslag heeft bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel als een kopie ervan naar de organisator is gestuurd.
De organisator heeft het recht schriftelijke opmerkingen over de inhoud van het verslag naar de toezichthouder te sturen.
De toezichthouder voegt de eventuele opmerkingen van de organisator bij het verslag dat hij aan Kind en Gezin bezorgt.
Kind en Gezin beoordeelt het ontvangen verslag van de toezichthouder en de eventuele opmerkingen van de organisator, informeert de organisator over de beslissing die Kind en Gezin genomen heeft en onderneemt zo nodig verdere stappen volgens de bepalingen, vermeld in artikel 19 tot en met 23.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.

Afdeling 2. Aanmaning

Art. 19. Als wordt vastgesteld dat een organisator de bepalingen van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan niet naleeft, wordt de organisator schriftelijk aangemaand door Kind en Gezin. Die aanmaning kan specifieke voorwaarden opleggen om te voldoen aan de niet-nageleefde bepalingen.

Bij dringende noodzakelijkheid kan die aanmaning achterwege gelaten worden en worden onmiddellijk bestuurlijke maatregelen genomen als vermeld in afdeling 3.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.

Afdeling 3. Bestuurlijke maatregelen

Art. 20. Kind en Gezin kan de vergunning wijzigen, schorsen, opheffen of intrekken als de organisator de bepalingen, vermeld in dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan, niet naleeft.

Kind en Gezin kan de subsidie verminderen, schorsen, stopzetten of terugvorderen als de organisator de bepalingen, vermeld in dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan, niet naleeft.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels, die de mogelijkheid bevatten om een bezwaar in te dienen.

Art. 21. De schorsing van de vergunning heeft van rechtswege de opschorting van de uitoefening van de kinderopvang tot gevolg vanaf de dag die volgt op de datum van de beslissing tot schorsing.

De opheffing of intrekking van de vergunning heeft van rechtswege de sluiting van de kinderopvangvoorziening tot gevolg vanaf de dag die volgt op de datum van de beslissing tot opheffing of intrekking.

Kind en Gezin beveelt de sluiting van een kinderopvangvoorziening vanaf de dag die volgt op de datum van het bevel tot sluiting, als de kinderopvangvoorziening georganiseerd wordt zonder vergunning van Kind en Gezin als vermeld in artikel 4.
Als de uitoefening van de kinderopvang opgeschort moet worden of als een kinderopvangvoorziening moet sluiten, licht Kind en Gezin zo spoedig mogelijk de burgemeester van de gemeente van de kinderopvangvoorziening daarover in. De burgemeester gaat na of de opschorting of de sluiting wordt nageleefd, en informeert Kind en Gezin daarover.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels, die de mogelijkheid bevatten om een bezwaar in te dienen.

Art. 22. Als na de inwerkingtreding van de sluiting van een kinderopvangvoorziening wordt vastgesteld dat de werking ervan niet is stopgezet, gaat de burgemeester, op schriftelijk verzoek van Kind en Gezin, over tot de effectieve sluiting. Hij beveelt de stopzetting van de activiteiten en, in voorkomend geval, de ontruiming van de gebouwen, en hij verzegelt de gebouwen.

De maatregelen, vermeld in het eerste lid, worden uitgevoerd op kosten en risico van de organisator.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.

Afdeling 4. Bestuurlijke geldboete
Art. 23. Kind en Gezin kan een bestuurlijke geldboete van 100 tot 100.000 euro opleggen als de organisator:
1° niet of niet tijdig gevolg geeft aan een aanmaning als vermeld in artikel 19;
2° het door of krachtens dit decreet geregelde toezicht verhindert;
3° kinderopvang organiseert zonder vergunning als vermeld in artikel 4;
4° de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan niet naleeft.

De bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd binnen een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de dag van de vaststelling van de inbreuk door de toezichthouders, vermeld in artikel 16, en nadat de betrokken organisator werd gehoord. Als een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, vermeldt de beslissing het bedrag, de wijze waarop en de termijn waarin die moet worden betaald. De kennisgeving van de beslissing aan de betrokkene vermeldt de wijze waarop en de termijn waarin beroep ingesteld kan worden tegen de beslissing.

De betrokkene kan op straffe van verval van het recht tot het instellen van het beroep binnen een termijn van vijftien werkdagen vanaf de kennisgeving van de beslissing waarbij hem een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, tegen die beslissing bij de rechtbank van eerste aanleg beroep aantekenen met een verzoekschrift. Dat beroep schorst de uitvoering van de beslissing.

Als de betrokkene weigert de bestuurlijke geldboete te betalen, wordt ze bij dwangbevel ingevorderd. Een dwangbevel wordt betekend bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling.

De vordering tot voldoening van de bestuurlijke geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de beslissing, vermeld in het tweede lid, of in geval van beroep, vanaf de datum van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, bepaald in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor het opleggen en het betalen van de geldboete.

Hoofdstuk 7. Gegevensverzameling en -verwerking Art. 24. De Vlaamse Regering bepaalt welke gegevens, met inbegrip van persoonsgegevens door de organisator worden verzameld en de wijze waarop die gegevens door Kind en Gezin worden verwerkt.
Hoofdstuk 8. Wijzigingsbepalingen Art. 25. In artikel 2, 1°, van het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen worden de woorden “een organisatie die erkend is door de Vlaamse Gemeenschap” vervangen door de woorden “een organisatie die erkend of, wat voorschoolse kinderopvang betreft, vergund is door de Vlaamse Gemeenschap”.

Art. 26. In artikel 3, §1, van hetzelfde decreet wordt het woord “erkenningsnormen” vervangen door de zinsnede “erkenningsnormen of, wat voorschoolse kinderopvang betreft, vergunningsnormen”.

Art. 27. In artikel 9 van hetzelfde decreet wordt het woord “erkenningsnormen” vervangen door de zinsnede “erkenningsnormen of, wat voorschoolse kinderopvang betreft, vergunningsnormen” en wordt het woord “erkenning” telkens vervangen door de zinsnede “erkenning of, wat voorschoolse kinderopvang betreft, vergunning”.

Art. 28. In artikel 6 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin, gewijzigd bij het decreet van 22 december 2006, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt:

“§1. De taak inzake de regie van kinderopvang omvat in elk geval:
1° de programmatie op operationeel niveau, op lokaal en regionaal niveau en op het niveau van de Vlaamse Gemeenschap;
2° het stimuleren, toelaten en subsidiëren van kinderopvangvoorzieningen;
3° het beheren van een informatie- en registratiesysteem om de vraag naar kinderopvang af te stemmen op het beschikbare aanbod aan kinderopvangvoorzieningen en om registratiegegevens over de vraag, het aanbod, het gebruik en de subsidiëring van kinderopvang te verzamelen en te beheren;
4° de bevordering van de kwaliteit van kinderopvangvoorzieningen;
5° het adviseren van de Vlaamse Regering over de beroepskwalificaties en beroepscompetentieprofielen voor kinderopvang.”.

Art. 29. In artikel 14, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden “kinderen beneden de twaalf jaar opvangt” vervangen door de woorden “kinderen opvangt die naar de basisschool gaan”.

Art. 30. Artikel 15 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:

“Art. 15. Aan elke persoon die niet door de Vlaamse Regering van de meldingsplicht is vrijgesteld en die op bestendige wijze kinderen opvangt die naar de basisschool gaan, zonder dat aan het agentschap mee te delen, of aan elke persoon die de toegang, vermeld in artikel 14, tweede lid, weigert, kan een bestuurlijke geldboete worden opgelegd van 500 euro.”.

Art. 31. Aan artikel 24 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:

“De bepaling, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing op kinderopvang, vermeld in het decreet van … houdende de organisatie van de voorschoolse kinderopvang.”.

Art. 32. Aan artikel 25 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:

“De bepaling, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing op kinderopvang, vermeld in het decreet van … houdende de organisatie van de voorschoolse kinderopvang.”.
Art. 33. In artikel 12 van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:

“De commissie heeft als opdracht aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen en voor het gezondheidsbeleid, advies uit te brengen over het bezwaar tegen een van de volgende beslissingen die, met betrekking tot een voorziening van welzijn, volksgezondheid en gezin of een onderdeel ervan, door het departement of een agentschap van het beleidsdomein zijn genomen, of tegen het voornemen om een van de volgende beslissingen te nemen, dat door het departement of door het agentschap wordt geuit en formeel wordt betekend:
1° de weigering om een toelating, een vergunning of een erkenning te verlenen, te verlengen of te wijzigen;
2° de gedwongen wijziging, de schorsing, de opheffing of de intrekking van een toelating, een vergunning of een erkenning;
3° de sluiting;
4° de vermindering, stopzetting of terugvordering van een subsidie voor kinderopvangvoorzieningen.”;

2° het derde lid wordt opgeheven.

Art. 34. In artikel 15, tweede lid, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° de zinsnede “artikel 10” wordt vervangen door de zinsnede “artikel 12”;

2° de volgende zin wordt toegevoegd:

“De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de beslissing over het bezwaar.”.

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Art. 35. Voor de kinderopvangvoorzieningen die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet een erkenning, een toestemming of een attest van toezicht hebben van Kind en Gezin, wordt die erkenning, die toestemming of dat attest van toezicht omgezet in een vergunning van Kind en Gezin als vermeld in artikel 4, met behoud van de toepassing van artikel 20.

Voor de kinderopvangvoorzieningen die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet gesubsidieerd zijn door Kind en Gezin, wordt de subsidie omgezet in de subsidie, vermeld in artikel 8 tot en met 11, met behoud van de toepassing van artikel 20.

De Vlaamse Regering bepaalt de noodzakelijke voorwaarden en termijnen voor die omzetting, waarbij ook de samenhang geregeld wordt met de buitenschoolse kinderopvang, de kinderopvang van kinderen die naar de basisschool gaan.

Art. 36. Dit decreet treedt in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum en uiterlijk op 1 januari 2015. Brussel, ...

De minister-president van de Vlaamse Regering,
Kris PEETERS

De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin,
Jo VANDEURZEN

Memorie van toelichting

Dames en heren,

1. ALGEMENE TOELICHTING

1.1. Bestaande kinderopvanglandschap en situatieschets

Het bestaande kinderopvanglandschap vindt juridische grondslag in het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin. Dit decreet bepaalt het volgende:

- Het agentschap Kind en Gezin heeft als missie, samen met zijn partners, voor elk kind, waar en hoe het ook geboren is of opgroeit, zoveel mogelijk kansen te creëren. De kerntaak van het agentschap omvat de regie van de kinderopvang en de organisatie van de preventieve gezinsondersteuning. Bij het uitvoeren van zijn missie stelt het agentschap het respect voor de rechten van het kind en voor diversiteit centraal. Het neemt bij de uitoefening van zijn taak de optimale ontwikkeling van het kind en de verantwoordelijkheid en mogelijkheden van de gezinnen als uitgangspunt.

- Onder kinderopvang wordt in het oprichtingsdecreet Kind en Gezin zowel de voorschoolse als de buitenschoolse opvang verstaan.

- De Vlaamse Regering kan, binnen het kader van de taak van het agentschap, nadere regels bepalen met betrekking tot de normen en de voorwaarden om initiatieven toe te staan en of te subsidiëren, met dien verstande dat de toelatings- en/of erkenningsbeslissing bij het agentschap berust.

- Er is een meldingsplicht voor kinderopvang. Behalve als het gezinnen of verwanten tot en met de vierde graad betreft, is iedereen die op bestendige wijze en al dan niet tegen betaling, kinderen beneden de twaalf jaar opvangt, verplicht dat aan het agentschap mee te delen. De Vlaamse Regering bepaalt wat onder opvang op bestendige wijze wordt verstaan. Deze melding heeft tot gevolg dat de door de Vlaamse Regering aangewezen inspectiediensten tijdens de opvangmomenten toegang hebben tot alle plaatsen of ruimten die voor de opvang bestemd zijn of ermee in verband staan.

Het bestaande juridische kader voor de voorschoolse kinderopvang is dus vastgelegd, enerzijds in dit decreet zelf, wat de delegatie aan de Vlaamse Regering en de meldingsplicht betreft, en anderzijds in verschillende besluiten van de Vlaamse Regering.

Het probleem is echter dat met de bestaande regelgeving geen enkele kinderopvangvoorziening in Vlaanderen verplicht is om aan (kwaliteits)regels te voldoen.

De overheid (Kind en Gezin) kan wel aan kinderopvangvoorzieningen die dit aanvragen een erkenning, attest van toezicht of subsidiëring toekennen, waar tegenover regels staan die nageleefd moeten worden en een zekere kwaliteitsgarantie inhouden, maar kinderopvangvoorzieningen kunnen steeds kinderopvang aanbieden zonder erkenning, attest van toezicht of subsidie, dus zonder het naleven van regels. De enige algemeen geldende regel die elke kinderopvangvoorziening moet naleven, is het melden van zijn bestaan bij Kind en Gezin.

Wanneer de erkenning of het attest van toezicht van een kinderopvangvoorziening wordt ingetrokken wegens het niet voldoen aan de regels, dan kan die kinderopvangvoorziening vandaag verder kinderen blijven opvangen zonder erkenning of attest van toezicht en als kinderopvangvoorziening blijven functioneren.

Een ander probleem met de bestaande regelgeving is dat het kinderopvanglandschap gekenmerkt is door versnippering: verschillende besluiten van de Vlaamse Regering regelen elk een specifieke opvangvorm, met eigen regels. Deze regels zijn soms gelijklopend, maar vaak ook verschillend of anders geformuleerd of ingevuld, terwijl uiteindelijk hetzelfde doel wordt nagestreefd, zijnde kwaliteitsvolle kinderopvang. Verder is kinderopvang voor bepaalde categorieën van gezinnen onbereikbaar of zelfs onbekend.

Grosso modo zijn er enerzijds de ‘erkende’ kinderopvangvoorzieningen, en anderzijds de zogenaamde ‘zelfstandige’ kinderopvangvoorzieningen met een attest van toezicht.

De op vandaag erkende kinderopvangvoorzieningen genieten quasi volledige overheidssubsidie bovenop de bijdrage van de gezinnen om kwaliteitsvolle kinderopvang mogelijk te maken, terwijl de zelfstandige kinderopvangvoorzieningen geheel of gedeeltelijk moeten rekenen op de bijdragen van de gezinnen De erkende en aldus gesubsidieerde kinderopvangvoorzieningen bieden inkomensgerelateerde kinderopvang aan. Zuiver ‘Zelfstandige’ voorzieningen kunnen de bijdrage van de gezinnen vrij bepalen.
Sedert februari 2009 is ook voor een zelfstandige kinderopvang die een inkomensafhankelijke bijdrage aan de gezinnen vraagt een aanvullende subsidie mogelijk, de zogenaamde IKG-subsidie. De IKG-subsidie is echter veel beperkter dan deze in de erkende opvang.

De erkende, gesubsidieerde kinderopvangvoorzieningen hanteren andere kwaliteitsregels dan de ‘zelfstandige’ kinderopvangvoorzieningen.

Vanuit het perspectief van de gezinnen is er dus een belangrijk verschil wat betreft kwaliteitsregels en de bijdrage die zij voor de kinderopvang moeten betalen, naargelang zij bij een ‘erkende’ of een ‘zelfstandige’ voorziening met IKG terecht komen, dan wel bij een ‘zelfstandige’ die de IKG-regeling niet volgt. Omdat de spreiding van erkende, gesubsidieerde opvangplaatsen gebaseerd is op een programmatie, maar niet de toekenning van zelfstandig georganiseerde plaatsen, ook als ze IKG-subsidie ontvangen, is het voor een gezin afhankelijk van waar het een opvangplaats kan vinden in welk bijdragesysteem en kwaliteitskader het terecht komt.

In het bijzonder voor gezinnen met een laag inkomen is het nochtans belangrijk om in een kinderopvangvoorziening met een inkomensafhankelijke bijdrage terecht te kunnen. Het kan problematisch zijn als daar geen plaats voor hen is en zij in een ‘zelfstandige’ voorziening terecht komen waar een voor hen te hoge bijdrage geldt.

Uit onderzoek blijkt dat in het globale plaatje van de kinderopvang in Vlaanderen het Matteuseffect nog sterk aanwezig is. Zo toont het MAS-onderzoek aan dat er een duidelijke relatie bestaat tussen bepaalde karakteristieken van de gezinnen en het vinden van een opvangplaats . Wie (nog) geen job heeft, laag opgeleid is, van allochtone afkomst is, of alleenstaande ouder is, vindt minder vaak opvang voor zijn of haar kind. Dit is ook terug te vinden in het onderzoek uitgevoerd door het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck, verbonden aan de Universiteit Antwerpen . Gezinnen die tot de 20% armsten in Vlaanderen behoren doen de helft minder beroep op kinderopvang dan andere gezinnen.

De hierboven geschetste problemen zijn historisch gegroeid, maar zijn vandaag niet meer te verantwoorden. Een nieuwe kijk op het kinderopvanglandschap is aangewezen, waar homogene kwaliteits- en subsidieregels gelden, in het belang van de kinderen en hun gezinnen. Subsidies moeten zaken mogelijk maken die zonder deze subsidie niet mogelijk of gegarandeerd zouden zijn, en moeten eerst die kinderen en gezinnen bereiken die de meest kwetsbare positie hebben in de maatschappij en er dus het meeste behoefte aan hebben.

Omwille van het feit dat er geen enkele kwaliteitsgarantie aan gekoppeld is, bestaat er een consensus dat enkel gemelde kinderopvang niet meer toelaatbaar is. In het belang van het kind zal elke vorm van formele kinderopvang vergund moeten zijn en aan gelijke normen moeten voldoen. Het organiseren van kinderopvang zonder vergunning zal sanctioneerbaar zijn. Het organiseren van kinderopvang met vergunning, maar waarbij de vergunningsvoorwaarden niet worden nageleefd, kan eveneens leiden tot specifieke sancties.

Er zullen drie mogelijke structuren inzake voorschoolse kinderopvang zijn, waarvoor er specifieke voorwaarden kunnen gelden:
- kinderopvang waar er maar één kindbegeleider is, dit is de zogenaamde gezinsopvang;
- kinderopvang waar er meerdere begeleiders zijn, dit is de zogenaamde groepsopvang;
- kinderopvang die plaatsvindt in de gezinswoning van het op te vangen kind, dit is de zogenaamde opvang aan huis.
Wat de opvang aan huis betreft, is het opleggen van specifieke voorwaarden volledig nieuw. Tot vandaag is dit voor deze opvangvorm onbestaand.

1.2. Doelstelling

Het decreet regelt de organisatie van de voorschoolse kinderopvang en heeft dus betrekking op een dienstverlening ten behoeve van de jongste groep kinderen in de samenleving en hun gezinnen. Jonge kinderen hebben omwille van hun kwetsbaarheid nood aan bijzondere zorg en (wettelijke) bescherming. Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (het IVRK) biedt daartoe een beschermingskader, met fundamentele rechten die gevrijwaard moeten worden .
De rechten van het kind, zoals bepaald in het IVRK, werden opgenomen in artikel 22 bis van de Belgische grondwet, dat bepaalt:
‘Elk kind heeft recht op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit.
Elk kind heeft het recht zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan; met die mening wordt rekening gehouden in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen.
Elk kind heeft recht op maatregelen en diensten die zijn ontwikkeling bevorderen.
Het belang van het kind is de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat.
De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen deze rechten van het kind.’
Voorliggend decreet wordt binnen dit Internationaal en grondwettelijk kader opgebouwd en heeft als doelstelling om van kinderopvang een basisvoorziening te maken die het recht van elk kind en elk gezin op een kwaliteitsvolle dienstverlening ten volle realiseert. Kinderopvang als basisvoorziening impliceert tevens dat de opvang in voldoende mate beschikbaar en toegankelijk is, waardoor alle gezinnen een gelijke kans hebben om een kinderopvangplaats naar hun keuze te vinden.
Dit kan bereikt worden via meerdere kanalen, zoals hulp bij de zoektocht naar een kinderopvangplaats en een gericht voorrangsbeleid bij kinderopvangvoorzieningen. Daartoe is eveneens een gevoelige verdere uitbreiding van het vandaag bestaande aanbod noodzakelijk, en wel tot een niveau dat volstaat voor de bestaande behoefte.
Kinderopvang moet ook betaalbaar zijn voor de gezinnen, en in de eerste plaats voor de gezinnen met de minste financiële draagkracht.

Kinderopvang als basisvoorziening moet aldus beantwoorden aan de provisierechten, protectierechten en participatierechten die in het IVRK zijn ingeschreven:
- provisierecht: het organiseren van kinderopvang is te voorzien voor (kleine) kinderen waarbij wordt gestreefd naar toegankelijkheid en betaalbaarheid voor gezinnen;
- protectierecht: kinderen hebben in de kinderopvang recht op veiligheid, geborgenheid en respect voor hun integriteit;
- participatierecht: kinderopvang heeft aandacht voor wat de kinderen zelf aangeven nodig te hebben.

Er wordt gestreefd naar een correct evenwicht tussen de economische, pedagogische en sociale functie van kinderopvang. Dit garandeert mee dat de kinderopvang een cruciaal element is in het arbeidsmarktbeleid en tegelijk oog heeft voor maatschappelijke veranderingen waardoor kinderopvang een ruimere functie heeft dan puur een economische.

De economische functie van kinderopvang stelt gezinnen in staat om aan het arbeidsproces deel te nemen, een opleiding te volgen of gezinnen te ondersteunen in hun weg naar maatschappelijke integratie en participatie dat ook deelname aan het economisch samenlevingsproces tot doel heeft en mogelijk maakt.

Gezien de sociaal-economische ontwikkelingen (het streven naar een hogere activiteitsgraad, meer eenoudergezinnen en meer tweeverdieners, nood aan arbeidskrachten…) is het belang van kinderopvang toegenomen. Bij gezinnen is de afweging tussen wel of niet kunnen ingaan op tewerkstellingsvragen, vaak tegelijkertijd een vraag naar opvangmogelijkheden voor de kinderen. Hierbij zal naar de toekomst ook meer en meer rekening gehouden moeten worden met een flexibele invulling van werk (deeltijds, shiften…) en een flexibele opvang van kinderen.

Een voldoende kinderopvangaanbod creëren en behouden, is dan ook cruciaal om deze economische functie te blijven vervullen. Naast deze economische functie is ook de pedagogische en sociale functie van de kinderopvang belangrijk. De pedagogische functie moet kinderen respectvol leren omgaan met diversiteit. Deze functie vloeit ook voort uit de complementariteit van de kinderopvang met de ouderlijke opvoeding en de opvoedingsondersteunende waarde van de kinderopvang. De sociale functie is belangrijk omdat kinderopvang via maatschappelijke integratie en het tegengaan van uitsluitingsmechanismen kan bijdragen tot een rechtvaardige samenleving. Kinderopvang kan tevens een bijdrage leveren aan het ondersteunen van kwetsbare gezinnen, het bestrijden van armoede in gezinnen met jonge kinderen en het bevorderen van gelijke kansen voor elk kind.

Opdat kinderopvang een basisvoorziening voor alle gezinnen zou zijn, is het noodzakelijk dat:
1. elke professionele kinderopvangvoorziening een vergunning heeft, welke waarborgt dat de kinderopvang voldoet aan voorwaarden voor minimaal vereiste basiskwaliteit. Het decreet en zijn uitvoeringsbesluiten geven daarom concreet en afdwingbaar gestalte aan een aantal cruciale basisdoelstellingen die te realiseren zijn in elke vergunde voorschoolse opvang :
1° de emotionele, fysieke, cognitieve, communicatieve, creatieve, sociale en morele mogelijkheden van elk kind worden gestimuleerd en er worden maatregelen genomen om het welbevinden en de betrokkenheid van elk kind te waarborgen (doelt op pedagogiek van kinderen);
2° er worden maatregelen genomen om de psychische en fysieke veiligheid van elk kind te waarborgen (doelt op een veilige ‘opvangomgeving’ in de ruime betekenis);
3° er worden maatregelen genomen om de gezondheid van elk kind te waarborgen (doelt op alle aspecten van verzorging, voeding en rust);
4° er wordt rekening gehouden met de meningen en de gevoelens van elk kind, op een manier die aansluit bij de mogelijkheden van het kind (doelt op het recht van kinderen om actief betrokken te worden);
5° er wordt overlegd over de onderwerpen van voorgaande doelstellingen met de gezinnen vanuit het respect voor het kind en zijn thuismilieu (doelt op het partnerschap en het overleg met de ouders).

2. de Vlaamse overheid subsidies toekent om bepaalde specifieke doelstellingen voor die kinderopvang te kunnen bereiken welke niet zonder overheidstussenkomst gewaarborgd kunnen worden (zoals het vergroten van de toegankelijkheid voor kinderopvang en van de betaalbaarheid van kinderopvang voor de gezinnen, het mogelijk maken van de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte).

Het opvanglandschap vandaag is heterogeen en via een diversiteit aan regelgevingen geregeld, welke zowel voor gezinnen als voor opvangaanbieders onvoldoende coherent en transparant is. Om van kinderopvang een basisvoorziening te kunnen maken die zijn doelstellingen kan realiseren, is een decretale basis noodzakelijk. Deze dient vanuit een coherente visie toe te werken naar een geordend en transparant kinderopvanglandschap, die gebruikers garantie geeft op kwaliteitsvolle, voldoende en toegankelijke opvang, en die aanbieders van opvang toelaat te werken binnen een leefbaar en organisatorisch duidelijk kader.

De uitwerking van deze globale doelen impliceert dat met het decreet volgende basisprincipes te realiseren zijn:

1. Voldoende, leefbare kinderopvang:
- voorzien in voor gezinnen betaalbare en voor voorzieningen leefbare opvangplaatsen;
- bepalen wat voldoende kinderopvang is, is gebaseerd op een onderbouwde manier van inschatting van de behoefte;
- het mogelijk maken van een duurzaam en stabiel opvangaanbod met voldoende ruimte voor het ondernemerschap;
- op een gelijke en correct verantwoorde wijze subsidies toekennen die op een gelijke wijze toegankelijk zijn voor alle vergunde opvang;
- dit alles binnen een voor de Vlaamse overheid betaalbaar systeem. Dit betekent het voorzien van een financieel groeipad over de komende jaren.

2. Kwaliteitsvolle kinderopvang:
- uitgangspunt is steeds de aandacht voor het belang en de draagkracht van het kind;
- garanderen dat alle kinderopvang kwaliteitsvol is;
- voor elk kind en zijn gezin gelijke kansen bieden op deze kwaliteitsvolle opvang.
Dit betekent dat er géén louter gemelde opvang meer is;
- realiseren van kinderopvang die de ontwikkelingskansen van elk kind aanspreekt en ondersteunt;
- bevorderen van geattesteerde competenties van medewerkers en omkadering op verschillende niveaus van kinderopvangvoorzieningen, introduceren van ‘elders verworven competenties’ als volwaardig instrument voor erkennen van competenties en voorzien van voldoende mogelijkheden tot vorming en opleiding om het competentieniveau van elke medewerker voortdurend te verbeteren;
- realiseren van een verantwoordbare groepsgrootte en verantwoordbare ratio begeleider/tegelijk aanwezige kinderen.

3. Kinderopvang die toegankelijk en betaalbaar is voor gezinnen:
- voor elk kind en zijn gezin is er gelijke toegang tot kwaliteitsvolle kinderopvang;
- elk gezin informeren over bestaande en beschikbare opvang en hen leiden naar vrije plaatsen;
- de opvang voor een zo maximaal mogelijk aantal gezinnen en op termijn voor alle gezinnen betaalbaar maken op basis van de financiële draagkracht en gezinssituatie;
- alle opvang realiseert een kwaliteitsvol aanbod rekening houdend met diversiteit, zodat alle kinderen en gezinnen actief betrokken zijn bij de opvang.

4. Coherente regelgeving:
- het nieuwe regelgevend kader betekent een vereenvoudiging, harmonisering en transparantie van de regelgeving en de organisatie van de Vlaamse kinderopvang;
- er kan enkel nog vergunde opvang zijn. Dit betekent dat de garantie wordt gegeven dat de organisatie van alle voorschoolse kinderopvang op basis van dezelfde voorwaarden wordt toegelaten. Het organiseren van kinderopvang zonder aan deze vergunningen te voldoen wordt bijgevolg gesanctioneerd;
- hiertoe worden eenduidige vergunningsvoorwaarden geformuleerd die noodzakelijk, evenredig en gelijk zijn;
- het decreet is afgestemd op de Europese regelgeving.

De wijze waarop deze doelstellingen en deze uitgangspunten in de organisatie van de voorschoolse kinderopvang moeten verankerd worden, maakt het voorwerp uit van voorliggend decreet. Hierbij krijgen de diverse betrokken actoren een verantwoordelijkheid toebedeeld: de Vlaamse overheid, de lokale overheid en de opvangvoorzieningen.

1.3 Rechtskader

Het decreet houdende de organisatie van de voorschoolse kinderopvang situeert zich binnen een internationaal (zie onder meer het IVRK) en Europees rechtskader.

Europees gezien is kinderopvang een vorm van economische dienstverlening in de zin van het EU-werkingsverdrag, dit maakt dat de regels van de interne markt en de mededinging erop van toepassing zijn.

Overeenkomstig de principes van de interne markt wordt er enkel gereguleerd waar nodig. De norm moet gelijk worden toegepast op gelijke situaties en evenredig zijn aan de gestelde doelstelling.

Staatssteun is in principe verboden, maar kan toegelaten worden indien aangetoond wordt dat de subsidies niet meer zijn dan wat strikt noodzakelijk is, rekening houdend met een redelijke winst. Bovendien is het vanuit de regels van de interne markt nodig om duidelijk te verantwoorden waarom de ene de subsidies wel krijgt en de andere niet. Belangrijke vraag is dus hoe voorzieningen geselecteerd zullen worden indien er meer kandidaten zijn dan het budget toelaat; daartoe zullen er duidelijke en transparante selectiecriteria gelden.

Europa benadrukt het belang van eenvoudige procedures, waarbij documenten uit Europese lidstaten als gelijkwaardig worden beschouwd.

Het decreet inzake de organisatie van de voorschoolse kinderopvang situeert zich ook naast andere, op kinderopvang van toepassing zijnde (federale) wetten en decreten, zoals bijvoorbeeld de federale wetgeving inzake het sociaal statuut van onthaalgezinnen , het kwaliteitsdecreet .

In het decreet en deze memorie van toelichting wordt uitgegaan van een effectief perspectief op een volwaardig werknemerschap voor de ‘onthaalouder’ aangesloten bij een dienst voor onthaalgezinnen. In die optiek is het uitgangspunt dat zij of hij door de organisator van een dienst voor gezinsopvang als werknemer wordt tewerkgesteld voor het verrichten van gezinsopvang op een bepaalde locatie, wat impliceert dat de persoon in kwestie daar steeds als alleen werkende kindbegeleider opvang verricht.

1.4 Ruimer beleidskader inzake gezinsbeleid

Kinderopvang is één van de instrumenten binnen een totaal gezinsbeleid dat het voor ouders ondermeer moet mogelijk maken om de opvoeding van hun kinderen zo optimaal mogelijk te combineren met hun gezins- en werksituatie.

Het voeren van een gezinsvriendelijk beleid moet zich ook richten op andere gezinsondersteunende maatregelen en zal zo zeker ook een effect hebben op de formele behoeften aan kinderopvang indien ouders, steeds vertrekkende vanuit hun eigen keuzevrijheid, meer mogelijkheden hebben om tijdens de eerste levensjaren van hun kind ook zelf voor hun kinderen thuis te zorgen.
De federale overheid heeft hierbij de belangrijkste verantwoordelijkheid. Zaken zoals een uitbreiding van de moederschapsrust en het ouderschapsverlof, … dragen er zeker toe bij dat ouders meer mogelijkheden krijgen om ruimer zelf de zorg voor hun kind op te nemen. Ook de Vlaamse overheid kan ouders, zowel moeders als vaders, stimuleren om van deze mogelijkheden gebruik te maken.

Evenzo is het belangrijk te werken aan een maximale aansluiting van de kinderen van kinderopvang naar kleuteronderwijs. Van zodra het mogelijk en verantwoord is, met respect voor de keuzevrijheid van de ouders en met aandacht voor de schoolrijpheid van het kind, gaan kinderen naar de kleuterklas. Een naadloze overgang tussen opvang en onderwijs moet worden mogelijk gemaakt, ook via kinderopvang.

2. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Hoofdstuk 1. Algemene bepaling en definities

Artikel 1.

Dit decreet regelt de voorschoolse kinderopvang, dat is kinderopvang voor kinderen die nog niet naar de kleuterschool gaan. Kinderopvang behoort, als onderdeel van het gezinsbeleid, tot het domein van de bijstand aan personen . Deze bijstand aan personen valt onder de persoonsgebonden aangelegenheden die artikel 128 van de Grondwet aan de Gemeenschappen heeft toevertrouwd.

Territoriaal is dit decreet van toepassing op kinderopvang georganiseerd in de Vlaamse Gemeenschap.

In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad geldt dit decreet slechts voor kinderopvang georganiseerd door:
- instellingen die, wegens hun organisatie, moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de Vlaamse Gemeenschap .
- natuurlijke personen die opteren voor de Vlaamse organisatie van de voorschoolse kinderopvang.

De Vlaamse Gemeenschap is dus in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad enkel bevoegd ten aanzien van bepaalde instellingen en niet t.a.v. fysieke personen . Hieruit volgt dat het decreet voorschoolse kinderopvang geen verplichtingen kan opleggen aan inwoners van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

De toepassing van dit decreet kan voor de inwoners van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad dus alleen maar vrijwillig zijn . Dit betekent dat enkel personen die ervoor opteren om een vergunning als organisator van kinderopvang aan te vragen bij Kind en Gezin, onderworpen zijn aan de voorwaarden ter zake. Zij komen dan ook in aanmerking voor een subsidie van Kind en Gezin. Wie in Brussel geen vergunning aanvraagt kan niets worden opgelegd, maar kan dan ook geen subsidies ontvangen. Aan wie in Brussel een vergunning aanvraagt en aan de voorwaarden voldoet kan noch de vergunning, noch de daaraan verbonden subsidie worden geweigerd.

Voor instellingen is het anders: aan hen kan het decreet wel worden opgelegd als zij uni-communautair georganiseerd zijn. In dat geval hebben zij geen keuze.

Instellingen die niet beschouwd kunnen worden als uitsluitend behorend tot de Vlaamse Gemeenschap, bi-communautaire instellingen, zijn niet onderworpen aan de bepalingen van dit decreet. Zij kunnen zelfs niet opteren voor de toepassing van dit decreet en dan ook geen beroep doen op subsidies die voortvloeien uit de toepassing van dit decreet. In het belang van de opgevangen kinderen door zulke organisatie, kunnen voorwaarden opgelegd worden door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.

Artikel 2.
Dit artikel bevat de definities van een aantal begrippen die in het decreet worden gehanteerd, en waarvan de invulling en afbakening cruciaal is.

1° Kind en Gezin:

Deze definitie behoeft geen verdere toelichting.

2° Kinderopvang:

De term kinderopvang in dit decreet betreft uitsluitend de voorschoolse kinderopvang.
Dit begrip ‘kinderopvang’ zoals bedoeld wordt in dit decreet, verwijst naar de zogenaamde ‘formele, georganiseerde, voorschoolse’ kinderopvang. Kinderopvang waarbij gezinnen zich richten naar ‘professionelen’. Gezinnen moeten er dan redelijkerwijze van uit kunnen gaan dat de kinderopvang aan minimale voorwaarden beantwoordt.

Kinderopvang krijgt een specifieke invulling, waarvoor niet zomaar verwezen kan worden naar het groot woordenboek van de Nederlandse taal, van Dale, waar kinderopvang wordt omschreven als (1) het opvangen van verlaten, dakloze kinderen, (2) verzorging van kinderen van wie de gezinnen tijdelijk, m.n. vanwege hun werk, afwezig zijn, (3) instelling voor kinderopvang (1,2).
Onder kinderopvang wordt in dit decreet verstaan, het opvoeden, bijdragen aan de ontwikkeling en verzorgen van kinderen, om welke reden dan ook. De reden waarom kinderopvang nodig is kan divers zijn, bijvoorbeeld:
-de ouders moeten allebei kunnen gaan werken en aan het werk kunnen blijven;
-een alleenstaande moeder de kans geven op deelname aan een opleiding die haar kansen op arbeidsparticipatie verhoogt;
-bijdragen aan het verlichten van de pedagogische draaglast van de ouders en werken aan het versterken van hun pedagogische draagkracht;
-kinderen de kans geven om reeds op zeer jonge leeftijd Nederlands te leren;
-door kinderopvang bijdragen aan een netwerk dat een gezin ondersteunt in functie van het doorbreken van hun armoedesituatie;
- …

Wel wordt enkel die kinderopvang gevat die beroepsmatig is. Het begrip ‘beroepsmatig’ wordt niet nader gedefinieerd in het decreet gezien de gebruikelijke betekenis bedoeld wordt. Dit is volgens het groot woordenboek van de Nederlandse taal, van Dale, “betrekking hebbend op een beroep”, en onder “beroep” wordt verstaan “maatschappelijke werkkring waarvoor men de vereiste bekwaamheid en/of bevoegdheid heeft verkregen”. Beroepsmatige kinderopvang impliceert eveneens dat er voor betaald wordt. Dit is volgens het groot woordenboek van de Nederlandse taal, van Dale, “het betalen, m.n. door geldoverdracht”. Het criterium is dus dat er geld betaald moet worden voor de kinderopvang. Ook in het geval waarin er in afwijking op het normaal geldende tarief een sociaal tarief (wat zeer uitzonderlijk ook een nultarief, dit is gratis opvang, kan zijn) toegepast wordt.

Het beroepsmatig organiseren van opvang van kinderen verschilt van het opvangen van kinderen als vrijwilliger, wat niet onder het toepassingsgebied van dit decreet valt. Een vrijwilliger verricht een geheel van activiteiten zonder vergoeding, met een maatschappelijk doel en ten gunste van anderen, hetzij individuen, groepen of de samenleving in haar geheel. Een vrijwilliger kan beperkt onkosten terugbetaald krijgen om de financiële drempel tot het verrichten van vrijwilligerswerk te verlagen, en dit volgens wettelijk vastgelegde regels.
Om te beoordelen of de opvang professioneel of vrijwillig is, dient in eerste instantie te worden gekeken naar de organisator van de opvang. Indien de organisator de opvang beroepsmatig aanbiedt, maar daartoe (ook) werkt met vrijwilligers , valt de kinderopvang onder het toepassingsgebied van dit decreet.

Het beroepsmatige karakter impliceert dat het niet gaat om de verzorging, opvoeding en bijdrage aan de ontwikkeling van het kind door de ouder(s) of door diegene(n) die de ouderlijke taak op zich nemen (pleeggezinnen, voogden,…).

De activiteit van ‘babysitting’ valt in principe niet onder het begrip ‘kinderopvang’ zoals bedoeld in dit decreet, omdat dit niet beroepsmatig is, en bovendien omdat het niet echt gaat om ‘kinderopvang’, het gaat niet echt om opvoeden.
Net zomin valt de activiteit ‘au pair’ onder het toepassingsgebied. Een au pair verblijft als vrijwilliger in een gastgezin en neemt kleine huishoudelijke taken op zich waaronder ook de zorg voor de kinderen, in ruil voor kost en inwoon en eventueel wat zakgeld. De au pair is niet te begrijpen als iemand die professioneel en tegen betaling kinderen voor ze naar de kleuterschool gaan opvoedt, bijdraagt aan hun ontwikkeling en verzorgt.

Wanneer het opvoeden , bijdragen aan de ontwikkeling en het verzorgen van kinderen gebeurt door verwanten van het kind die dat beroepsmatig en tegen betaling doen, vallen deze verwanten wel onder de toepassing van het decreet. Een familieband hebben is op zich geen criterium om uitgesloten te worden van de toepassing van het decreet (uitgezonderd de band ouder-kind). Dit vermijdt ook discussies over welke familiale band er al dan niet is, of wel of niet mag zijn, ten opzichte van het kind, wat bij nieuw samengestelde gezinnen niet steeds een sinecure is.

De criteria ‘beroepsmatig’ en ‘tegen betaling’ maken dat dit decreet geen regels oplegt aan wat gezinnen zelf aan informele, vrijwillige opvang regelen om elkaar te helpen, bijvoorbeeld gezinnen die beurtelings elkaars kinderen opvangen, vrijwillige hulp van buren of kennissen, of kleinkindopvang door grootouders. In zulke situaties geldt de maximale verantwoordelijkheid van de ouder of diegene die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt.

Het aantal uren/dagen/weken/maanden per jaar dat men kinderopvang organiseert is op zich niet relevant. Iemand die het hele jaar door beroepsmatig kinderen opvangt valt onder de toepassing van het decreet, ook als dit zich beperkt tot een kleiner aantal uren per week.
Iemand die af en toe buurkindjes opvangt, en daar een beperkte kostenvergoeding voor ontvangt, maar zich hiertoe duidelijk niet beroepsmatig organiseert, valt niet onder de toepassing van het decreet.

De naam die men aan zijn activiteit geeft is in elk geval niet doorslaggevend.
Er zal in voorkomend geval gekeken moeten worden naar de feiten: als uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat het om een beroepsmatige activiteit tegen betaling gaat, valt de voorziening onder de toepassing van het decreet.

De term ‘kinderopvang’ wordt in dit decreet, zoals hiervoor reeds aangegeven, uitsluitend gedefinieerd als ‘voorschoolse’ kinderopvang. Dit is kinderopvang van kinderen tot ze naar de kleuterschool gaan. Algemeen wordt aangenomen dat een kind vanaf de leeftijd van 2,5 jaar naar de kleuterschool kan gaan. Net omdat er hier individuele verschillen tussen kinderen zijn, vaak aansluitend bij de mate waarin het kind voldoende schoolrijp is, voorziet dit decreet niet in een absolute leeftijdsgrens. Opvang van schoolgaande kinderen (dit is vanaf de kleuterklas) valt dus niet onder dit decreet. Omdat er in Vlaanderen enkel een leerplicht geldt en geen schoolplicht, en deze leerplicht pas geldt vanaf de leeftijd 5 jaar, kunnen er in principe in de voorschoolse opvang ook kinderen zijn die ondanks hun leeftijd (nog) niet naar de kleuterschool gaan. In de meeste gevallen krijgen deze kinderen thuis les, al dan niet met thuisonderwijs, en zijn zij niet aanwezig in de voorschoolse opvang. Het betreft dus een heel kleine minderheid in de opvang, waar deze definiëring dan ook geen rekening mee houdt.

Met “naar de kleuterschool gaan” worden alle kinderen gevat die systematisch naar de kleuterschool gaan, ook dezen die bijvoorbeeld starten met halve dagen. Het moet dus niet gaan om ‘voltijds’ naar de kleuterschool gaan. Een kind dat al eens een dagje gaat wennen op school zonder formeel in de kleuterschool te zijn ingeschreven, gaat daarentegen nog niet systematisch naar de kleuterschool. Het kantelmoment is de dag waarop het kind formeel met de kleuterschool begint en dus wordt ingeschreven in de kleuterschool. In het gewoon kleuteronderwijs mag het kind pas naar school gaan vanaf de eerste instapdatum nadat het kind twee jaar en zes maanden geworden is. Er zijn elk schooljaar zes mogelijke instapdata, namelijk de eerste schooldag na elke vakantieperiode en de eerste schooldag van februari. De vijf vakantieperiodes zijn: de herfstvakantie, de kerstvakantie, de krokusvakantie, de paasvakantie en de zomervakantie. In het buitengewoon kleuteronderwijs mag een kind naar school gaan vanaf de dag dat het twee jaar en zes maanden geworden is.

Een kind dat in de startperiode op de kleuterschool tijdelijk nog een terugvalbasis nodig heeft in de kinderopvang, bvb. een kind dat nog een namiddagslaapje doet bij de onthaalouder, wordt beschouwd als een kind dat naar de buitenschoolse kinderopvang gaat. Het decreet verhindert niet dat voorschoolse kinderen en buitenschoolse kinderen in dezelfde setting worden opgevangen. De opvang van voorschoolse opvang moet volledig voldoen aan de regelgeving van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten. De opvang van buitenschoolse kinderen zal onder de toepassing van de regelgeving voor buitenschoolse opvang vallen, die zo snel mogelijk gecoördineerd zal worden, en bij deze coördinatie zullen de bepalingen zoveel mogelijk geformuleerd worden naar analogie met de voorschoolse opvang.

Belangrijk is dat dit decreet de naadloze overgang van een kind van de voorschoolse opvang naar de kleuterschool mogelijk blijft maken, zoals bijvoorbeeld middagslapertjes die ook nog in de voorschoolse opvang terecht kunnen ook al worden ze beschouwd als buitenschoolse opvangkinderen. Om de stimulans daartoe voor de voorschoolse opvangvoorziening niet weg te nemen, zal in de uitvoeringsbesluiten worden voorzien dat kleuters in de overgangsperiode - dat zijn de kinderen die tijdens de schooluren deeltijds naar de kleuterschool gaan en deeltijds naar de voorziening voor voorschoolse kinderopvang - op dezelfde wijze kunnen meetellen in de bezettings- en subsidieberekening als de voorschoolse opvangkinderen. Toch worden zij als buitenschoolse opvangkinderen beschouwd om te vermijden dat voorzieningen voor buitenschoolse opvang die een gelijkaardig overgangsaanbod voorzien, zoals bvb. sommige IBO ook middagslapers opvangen, ook aan alle voorwaarden voor voorschoolse opvang zouden moeten voldoen. Dat zou immers niet realistisch zijn.

De definitie vermeldt expliciet het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, om duidelijk het onderscheid te maken tussen voorschoolse kinderopvang en schoolse activiteiten.

3° Kinderopvangvoorziening:

Elke vestigingsplaats waar kinderopvang zoals hierboven omschreven plaatsvindt, valt onder de toepassing van het decreet. Dit impliceert dat juridisch gezien een kinderopvangvoorziening niet langer het geheel van vestigingsplaatsen van eenzelfde organisator onder dezelfde naam is (bvb. KDV De Knuffeltjes met een vestiging in de stationsstraat en een vestiging in de gemeentestraat). Elke vestigingsplaats is een voorziening op zich. Gevolg is ook dat voor kinderopvang via onthaalouders aangesloten bij een dienst, elk adres waar een onthaalouder van deze dienst actief is een aparte vestigingsplaats en dus een aparte kinderopvangvoorziening is, met het organiserende bestuur van deze dienst als organisator. De organisator zal voor elk van deze vestigingsplaatsen een vergunning moeten hebben, waarbij de onthaalouder de begeleider is die op deze vestigingsplaats instaat voor de opvoeding, het bijdragen aan de ontwikkeling en de verzorging van de opgevangen kinderen. Dergelijke benadering is noodzakelijk om de Vlaamse overheid de mogelijkheid te geven indien nodig per vestigingsplaats te kunnen ingrijpen op de vergunning. Vandaag kan dit niet. De dienst voor onthaalouders heeft vandaag één erkenning voor de gehele werking. Ingrijpen op deze erkenning indien er bij één onthaalouder iets grondig fout zou lopen, zou vandaag ten onrechte ook alle andere onthaalouders raken ook als zij geen uitstaans hebben met die ene onthaalouder. Bovendien werken vele diensten voor onthaalouders vandaag met het systeem van samenwerkende onthaalouders. Indien deze effectief gelijktijdig de opvang verzorgen is er, zoals verder uit dit decreet blijkt, geen sprake van gezinsopvang, wel van groepsopvang. Onder dezelfde organisator kunnen er aldus zowel vestigingsplaatsen voor gezinsopvang als andere vestigingsplaatsen voor groepsopvang zijn.

4° Organisator:

Een kinderopvangvoorziening heeft steeds een organisator. Dat is de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die de voorziening organiseert of uitbaat. Voor alle aspecten met betrekking tot kinderopvang draagt deze de eindverantwoordelijkheid. Het is de organisator die de vergunning moet aanvragen en op wiens naam de vergunning staat, het is de organisator die verantwoordelijk is voor het naleven van de vergunningsvoorwaarden.

5° Verantwoordelijke:

Een kinderopvangvoorziening heeft ook steeds één of meerdere verantwoordelijken.
Zij hebben de verantwoordelijkheid over de kwaliteitsvolle werking van één of meerdere facetten van de werking, met name op vlak van het administratief beleid, het pedagogisch beleid, het kwaliteitsbeleid, financieel beleid, e.d. Het gaat om alle aspecten vermeldt in artikel 6. De verantwoordelijke wordt door de organistor daartoe aangeduid. Dit begrip staat los van eventuele arbeidsrechtelijke ondergeschiktheid.
In bepaalde gevallen kunnen de functies van organisator, verantwoordelijke en zelfs begeleider (zie hierna bij 6°) in dezelfde persoon samenvallen.
Bijvoorbeeld:
-indien twee zelfstandigen samenwerken duiden zij aan wie de verantwoordelijke zal zijn voor welk aspect van de werking.
-een zelfstandige onthaalouder is tegelijk én de organisator én de verantwoordelijke én de begeleider.
Belangrijk is vooral dat dit decreet deze drie functies apart benoemt, omdat het drie te onderscheiden rollen in een kinderopvangvoorziening zijn.
Wie het functionele aanspreekpunt is voor Kind en Gezin wordt niet geregeld in het decreet maar is een louter administratieve formaliteit. Men zal deze persoon met naam moeten vermelden in het kader van een procedure aanvraag vergunning, maar op zich rusten op de aanspreekpersoon geen juridische verplichtingen. De juridische eindverantwoordelijkheid over de kinderopvangvoorziening ligt steeds bij de organisator.

6° Begeleider:

Een kinderopvangvoorziening heeft ook steeds één of meerdere begeleider(s). Het gaat om een ruime categorie personen, namelijk al wie in onmiddellijk contact met de kinderen instaat voor de opvangactiviteit zelf, en dus instaat voor één of meerdere facetten van opvoeden , bijdragen aan de ontwikkeling en verzorgen van kinderen.

Zoals hierboven reeds vermeld kunnen in bepaalde kinderopvangvoorzieningen de functie van organisator, van verantwoordelijke en van begeleider in één persoon verenigd zijn. Andere kinderopvangvoorzieningen zullen deze functies verdelen over verschillende personen.

7° Lokaal bestuur:

Het lokaal bestuur betreft het gemeentebestuur en het bestuur van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW). Het zijn twee afzonderlijke juridische entiteiten.
Het lokaal bestuur wordt in dit decreet begrepen in zijn hoedanigheid als lokale overheid bevoegd en verantwoordelijk voor het lokaal beleid, zoals eveneens bedoeld in het oprichtingsdecreet Kind en Gezin, artikel 6, §3. Het is de lokale verantwoordelijkheid om te bepalen of het gemeentebestuur, of het bestuur van het OCMW dan wel beide samen deze rol opnemen en invullen.
De term ‘lokaal bestuur’ verwijst in dit decreet kinderopvang niet naar de mogelijke hoedanigheid van een lokaal bestuur als organisator van een kinderopvangvoorziening. De rol als organisator is in dit decreet duidelijk te onderscheiden van de rol als lokale overheid.
Dit decreet vermeldt in de artikels 21 en 22 de burgemeester van de gemeente. Daar gaat het niet om het lokaal bestuur in zijn rol als verantwoordelijke voor het lokaal beleid, maar wel expliciet om de burgemeester, in zijn rol van verantwoordelijke voor het toezicht op en het handhaven van de lokale openbare orde.

In het tweetalig gebied Brussel Hoofdstad duidt het decreet de Vlaamse Gemeenschapscommissie aan als lokaal bestuur. De Vlaamse Gemeenschapscommissie is in Brussel grondwettelijk bevoegd om de gemeenschapsmateries cultuur, onderwijs, welzijn en gezondheid te behartigen van alle Nederlandstalige instellingen in Brussel. Daarom is de Vlaamse Gemeenschapscommissie het best geplaatst om voor het gehele tweetalige gebied Brussel Hoofdstad de opdrachten van het lokaal bestuur, als vermeld in artikel 14, op te nemen. Ook de Vlaamse Gemeenschapscommissie wordt hier gevat in zijn hoedanigheid als bevoegd en verantwoordelijk voor het beleid inzake Vlaamse kinderopvang, niet in zijn mogelijke hoedanigheid als inrichtende macht.

8° Lokaal Overleg Kinderopvang:

Dit is een gemeentelijke adviesraad inzake kinderopvang, in functie van het lokaal beleid kinderopvang, zoals bedoeld in artikel 6, §3 van het oprichtingsdecreet Kind en Gezin.

9° Lokaal loket kinderopvang:
Dit is een neutraal informatie- en ondersteuningspunt voor gezinnen met een vraag naar kinderopvang. Het dient niet noodzakelijk te gaan om een fysiek contactpunt. Het lokaal loket is een netwerk van de lokaal of regionaal voor kinderopvang relevante actoren, dat op een gecoördineerde wijze samenwerkt in functie van het zo efficiënt mogelijk informatie en ondersteuning bieden aan gezinnen die kinderopvang zoeken. Hoe en door wie dit netwerk daartoe concreet georganiseerd is, is plaatselijk in te vullen. Belangrijk is wel dat gezinnen duidelijk weten waar ze naartoe kunnen stappen met hun vragen, daarom wordt het woord contactpunt gebruikt. Het lokaal loket kinderopvang kan ook meerdere contactpunten hebben zolang deze via netwerking op een functioneel efficiënte wijze samenwerken in functie van hun opdrachten ten aanzien van de gezinnen. Deze worden verder toegelicht bij artikel 14.

10° Toezichthouder:
De toezichthouder is een organisatie die door de Vlaamse Regering is aangeduid en aldus gemachtigd is om ter plaatse, dit is op de vestigingsplaats voor voorschoolse kinderopvang en/of indien nodig bij de organisator, na te gaan of de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten worden nageleefd. Wie toezichthouder is, en aan welke voorwaarden de toezichthouder en de toezichtpersonen moeten voldoen wordt bepaald door de Vlaamse Regering (zie ook artikel 16). De basisgedachte is dat dit decreet bepaalt dat er toezicht wordt gehouden op de bepalingen in het decreet en de uitvoeringsbesluiten. Hierdoor behoudt de Vlaamse Regering de mogelijkheid om naast Zorginspectie eventueel ook één of meerdere organisaties aan te duiden om bij te dragen aan het toezicht. Indien er naast Zorginspectie nog andere toezichthouders zouden aangeduid worden, is hoe dan ook belangrijk dat er een duidelijke taakverdeling is, dat zij op afgestemde wijze te werk zouden gaan en samenwerken met en dat er controle wordt voorzien op de werking van de toezichthouder. (zie ook artikel 16).
Activiteiten die aanleunen bij het begrip ‘kinderopvang’, maar waarvoor het niet de bedoeling is dat ze aan de voorwaarden vastgelegd in het decreet onderworpen zijn, worden expliciet uit de toepassing van het decreet gehouden.

Het moet duidelijk zijn dat alle activiteiten die dezelfde invalshoek hebben, namelijk tegen betaling professionele kinderopvang aanbieden, in het belang van de gezinnen en hun kinderen aan het decreet onderworpen moeten zijn, wat ook de naam is die aan deze activiteit gegeven wordt. Als men een activiteit verricht die valt onder de bepalingen van de definitie ‘kinderopvang’, ook al zou men hiervoor een naam gebruiken die een andere activiteit zou doen vermoeden ( bvb. baby-universiteit, ukkie sportclub, babyschool, etc), dan valt deze activiteit onder het toepassingsgebied van het decreet voorschoolse kinderopvang.

Het decreet benoemt evenwel een aantal activiteiten die niet onder het toepassingsgebied vallen. Het gaat om die activiteiten die een andere invalshoek hebben dan het professioneel opvangen van kinderen of die reeds via een ander Vlaams regelgevend kader zijn geregeld.

Deze activiteiten worden dus niet beschouwd als kinderopvang, en vallen bijgevolg niet onder de toepassing van (de voorwaarden van) het decreet. Anderzijds verbiedt het decreet de organisator van kinderopvang op geen enkele wijze om activiteiten te verrichten die geen kinderopvang zijn. Een organisator met een vergunning voor kinderopvang kan naast kinderopvang dus tevens andere activiteiten organiseren zolang voldaan wordt aan de voorwaarden uit het specifieke decreet. De verantwoordelijkheid voor de naleving van de voorwaarden ligt bij de organisator, die zich zo nodig zal moeten verantwoorden, en indien de voorwaarden niet nageleefd zijn, gesanctioneerd kan worden.

Behalve de onderwijsactiviteit waarnaar wordt verwezen in de definitie van kinderopvang op zich, vermeldt het decreet ook expliciet volgende activiteiten die niet worden beschouwd als kinderopvang als vermeld in art 2 §1, 2°:

1° Jeugdhulp:

Het gaat om activiteiten van de jeugdhulpsectoren die vallen onder het decreet van 7 mei 2004 betreffende de integrale jeugd, zoals deze van centra voor integrale gezinszorg, van centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning, van bijzondere jeugdzorg. Deze activiteiten zijn onderworpen aan specifieke eigen Vlaamse regelgeving.

2° Het bieden van exclusieve zorg aan kinderen met een handicap:

Een voorziening die professioneel en tegen betaling kinderen met een handicap of specifieke zorgbehoefte opvangt voor ze naar de kleuterschool gaan samen met kinderen zonder handicap of specifieke zorgbehoefte (dit is inclusieve opvang) is onderworpen aan dit decreet. Wanneer de voorziening zich exclusief toelegt op kinderen met een handicap, is het decreet kinderopvang niet van toepassing. In dat geval gaat het niet om kinderopvang zoals bedoeld in dit decreet, maar om gespecialiseerde zorg exclusief gericht op kinderen met een handicap. Voor dergelijke soort zorg exclusief gericht op kinderen met een handicap zijn er specifieke, andere vereisten nodig, hetgeen gebeurt door voorzieningen, erkend door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH). Voorzieningen erkend door het VAPH hebben wel ook als taak mee te werken aan een inclusief beleid voor personen met een handicap, maar staan niet zelf in voor de inclusieve kinderopvangactiviteit.
Wat een kind met een handicap is, wordt niet specifiek gedefinieerd in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
Wel bevat artikel 2 van dat decreet een algemene definitie van ‘handicap’, die ook op een kind met een handicap van toepassing is:
“Art. 2° handicap: elk langdurig en belangrijk participatieprobleem van een persoon dat te wijten is aan het samenspel tussen functiestoornissen van mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke aard, beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en persoonlijke en externe factoren.”.

3° Het bieden van medische zorg aan kinderen:

Een kinderopvangvoorziening kan kinderen die ziek (geworden) zijn opvangen, zolang het gaat om een ‘huis-tuin-keuken’-ziekte en de nadruk van de activiteit ligt op kinderopvang en niet op specifieke medische zorg. Wanneer specifieke medische zorg nodig is (bvb. wanneer een kind na ziekenhuisopname thuis specifieke medische zorgen krijgt door een persoon die tegelijk ook over het kind waakt) moeten gezinnen zelf hun verantwoordelijkheid opnemen, of moeten ze zich richten tot verpleegkundigen of zorgkundigen voor de opvang van hun kind . Ze kunnen dan niet terugvallen op het kader voor kinderopvang. Hieruit volgt niet enkel dat het bieden van medische zorg geen kinderopvang is, het betekent ook dat van kinderopvangvoorzieningen geen specifieke medische zorg kan worden verwacht.

Dit betekent niet dat eenzelfde organisator niet eveneens zou kunnen instaan voor opvang van zieke kinderen waarvoor specifieke medische zorg nodig is, mits de gezondheid van de niet zieke kinderen in de kinderopvang gewaarborgd wordt. Dit impliceert dat de opvang van de kinderen die specifieke medische zorgen behoeven in andere lokalen moet plaatsvinden. Deze activiteit valt evenwel niet onder de toepassing van het decreet kinderopvang, de organisator moet voor die medische zorgactiviteit dan ook de regelgeving volgen die daarop van toepassing is, zoals de federale regelgeving inzake de zorgkundige.

4° Het passen op kinderen van klanten of bezoekers:

Dit is geen kinderopvang zoals dit decreet voor ogen heeft, gezien hier geen sprake is van opvoeden zoals bedoeld in dit decreet. Het gaat hier over de klanten van commerciële ondernemingen (bvb. een opvangruimte met ballenbad van een grote winkel, of een opvang voor kinderen van klanten van een beurs of een culturele manifestatie ), of bezoekers van niet-commerciële organisaties en instanties. Bijvoorbeeld het systematisch in een justitiepaleis georganiseerde passen op kinderen wier ouders in de rechtszaal zijn, of van kinderen wier gezinnen een religieuze bijeenkomst volgen, valt niet onder het decreet. Ook kinderen die in een ziekenhuis verblijven zijn te verstaan als ‘klanten’ van dit ziekenhuis: als daar voor hen een bewaakte speelruimte is ingericht, of een vorm van begeleide activiteit plaatsvindt, valt dit niet onder het toepassingsgebied van dit decreet.

Artikel 3.

Dit artikel vat de algemene maatschappelijke opdrachten samen die de Vlaamse Gemeenschap aan de voorschoolse kinderopvang geeft, evenals het engagement van de Vlaamse Gemeenschap ten aanzien van de kinderopvang. Deze opdrachten en dat engagement moeten doorheen dit decreet gestalte krijgen. Deze inhoud refereert ook aan de algemene inleidende uitleg in deze memorie van toelichting.

De eerste alinea wijst op de drie maatschappelijke functies van de kinderopvang, en op de noodzaak dat de kinderopvang “kwaliteitsvol, betaalbaar, beschikbaar en effectief toegankelijk is voor elk kind zonder onderscheid”. Dit refereert naar de missie van Kind en Gezin, nl. Kind en Gezin wil, samen met zijn partners, voor elk kind, waar en hoe het ook geboren is of opgroeit, zo veel mogelijk kansen creëren. De kinderopvangvoorzieningen zijn in deze optiek te beschouwen als de partners van Kind en Gezin, zijnde de Vlaamse overheidsinstelling bevoegd voor de regie van de Vlaamse kinderopvang. Kind en Gezin richt immers niet zelf kinderopvang in, maar stimuleert, ondersteunt en geeft toelating voor het organiseren van kinderopvangvoorzieningen en bevordert hun kwaliteit in functie van de maatschappelijke opdrachten van en het engagement van de Vlaamse Gemeenschap ten aanzien van de kinderopvang.
Hierbij is het tevens van belang dat kinderopvang wordt beschouwd als aanvullend op de opvoeding van het kind in zijn gezin, niet als gezinsvervangend. Het respect voor het thuismilieu van het kind, voor de draagkracht van het kind en voor de vrije keuze van de ouders staan hierbij voorop. Onder deze vrije keuze van de ouders is te verstaan zowel de vrijheid om te kiezen om wel of niet van kinderopvang gebruik te maken, als de vrijheid om desgevallend te kiezen in welke voorziening ze hun kind zouden willen laten opvangen.. Indien de voorkeurvoorziening geen vrije plaats heeft, kunnen de ouders niet gedwongen worden elders een vrije plaats te aanvaarden. Het is en blijft hun keuze. Indien ze evenwel niet ingaan op het aanbod van een vrije plaats in andere voorziening, dan zien zij wel af van hun recht op kinderopvang zoals aangegeven in de tweede en de derde alinea van het artikel.

Met alinea twee wil de Vlaamse Gemeenschap het aanbod aan kinderopvang in die mate laten toenemen dat er op termijn, nl. tegen 2020, voldoende opvangplaatsen zijn voor alle gezinnen met een behoefte aan voorschoolse kinderopvang. Een groeipad is daartoe te doorlopen met als eerste tussendoel een aanbod dat in 2016 volstaat voor minstens de helft van alle kinderen jonger dan 3 jaar. Aldus ambieert de Vlaamse Gemeenschap om het streefdoel dat werd ingeschreven in het Pact 2020 reeds te behalen in 2016. Hoe groot de volledige behoefte is waar het aanbod in 2020 moet aan voldoen, moet op wetenschappelijke basis worden geraamd. In de laatste alinea van artikel 3 wordt aangegeven welke elementen minstens in deze raming moeten worden verwerkt en wordt verankerd dat de subsidiemiddelen die nodig zijn voor dit voldoende aanbod rekening houden met deze behoefteraming.
Alinea drie verbindt een recht op kinderopvang aan het bereiken van de doelstelling van alinea twee. Het recht op kinderopvang is niet te begrijpen als een juridisch afdwingbaar recht, zolang aan de doelstelling van alinea twee niet is voldaan en het aanbod niet volstaat voor alle gezinnen met een behoefte aan kinderopvang, zolang kan het recht op kinderopvang niet worden geëffectueerd.
We vullen het recht zo in dat elk gezin met een behoefte aan kinderopvang voor zijn kind dat nog niet naar de kleuterschool gaat, binnen een redelijke termijn een aanbod krijgt van een vrije plaats, die zoveel mogelijk rekening houdt met zijn voorkeur en met de kenmerken van de vraag. Aan dit recht zijn bijgevolg volgende beperkende voorwaarden gebonden:
a. Een gezin moet effectief een behoefte aan kinderopvang hebben voor zijn kind;
b. De behoefte is als kinderopvangvraag geregistreerd in het Vlaamse informatie- en registratiesysteem (zie artikels 14 en 28);
c. Het aanbod van een vrije plaats gebeurt binnen een redelijke termijn;
d. Er wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de voorkeur van het gezin en de kenmerken van de vraag.

Deze redelijke termijn kan –afhankelijk van de situatie- een maximale termijn zijn na de registratie van de vraag, maar ook een minimale tijd voor de gevraagde startdatum. Te vermijden is immers dat gezinnen een al te lange tijd vooraf hun vraag stellen, en zich aldus kunnen verzekeren van een opvangplaats ten koste van gezinnen die pas later hun vraag (kunnen) stellen. Wanneer immers de vraag wordt gesteld voor een kind waarvoor reeds binnen afzienbare tijd opvang nodig is, kan het aangewezen zijn dat ook deze ouders een redelijke tijd voor de gevraagde startdatum zekerheid hebben dat er een effectieve opvangmogelijkheid is. De basisgedachte is dat een opvangvraag ten vroegste kan geregistreerd worden wanneer de moeder effectief in verwachting is of ten vroegste een bepaalde tijd voor de gevraagde startdatum. Als redelijke termijn voor een aanbod na de vraagregistratie wordt indicatief een periode van 3 maanden vooropgesteld.
Het element behoefte moet ook aantoonbaar zijn op het niveau van het gezin. Hoewel het de bedoeling is dat dit begrip een zo ruim mogelijk in te vullen, zal de Vlaamse Regering nadere regels bepalen.
Een aanbod dat alle behoeften dekt is te begrijpen als een kwantitatief gegeven op niveau van de Vlaamse Gemeenschap. Het is niet mogelijk om op betaalbare en leefbare wijze te garanderen dat in elke gemeente of elke wijk op alle mogelijke vragen een perfect matchend antwoord kan worden voorzien. Daartoe zou er een overaanbod moeten worden gecreëerd. De aangeboden vrije plaats stemt zoveel mogelijk overeen met de aard en de voorkeur van de vraag, maar er kan geen garantie op een 100% matching worden geboden, net zomin als dat het geval is in het onderwijs. Bijvoorbeeld:
-als niet kan worden tegemoetgekomen aan de vraag naar groepsopvang, kan mogelijk wel een vrije plaats in gezinsopvang aangeboden worden;
-mogelijk kan een gezin enkel opvang aangeboden worden in een andere deelgemeente dan de gevraagde deelgemeente;
-de voorkeursvoorziening kan mogelijk geen vrije plaats hebben, maar een andere gelijkaardige voorziening wel;
-de aangeboden opvangdagen kunnen mogelijk licht verschillen van deze die de ouder vraagt.
Indien een gezin afziet van de aangeboden vrije plaats, ziet het ook af van zijn recht op kinderopvang.
Om de matching tussen de geregistreerde vragen en het beschikbaar aanbod zo maximaal mogelijk te kunnen ondersteunen, vermeldt de vierde alinea van artikel 3 dat er lokale loketten kinderopvang worden opgericht. Deze coördineren de registratie van de vragen en brengen de informatie over vraag en aanbod samen om, zeker deze gezinnen die moeilijk hun weg naar het beschikbare aanbod kunnen vinden en indien deze gezinnen dit wensen, ondersteuning te kunnen bieden in de zoektocht naar een geschikte opvangplaats. De opdrachten van het lokaal loket kinderopvang en de wijze waarop deze worden opgericht, worden verder uitgewerkt in artikel 14.
De voorlaatste alinea van dit artikel staat stil bij wat nodig is zolang het aanbod niet dekkend is voor alle behoeften. In dat geval zal er noodzaak zijn om gebruik te maken van voorrangsregels in opvangvoorzieningen die gesubsidieerd worden in functie van het realiseren van een inkomensafhankelijk opvangtarief (dit zijn de voorzieningen met een subsidie vermeld in artikels 8 en/of 9).
De laatste alinea van artikel 3 verankert de koppeling van het aanbod aan de nataliteit, zoals de Vlaamse Regering zich in het regeerakkoord 2009-2014 tot doel had gesteld. Evenwel wordt hier ook bepaald dat ook met andere aspecten dan de nataliteit rekening moet worden gehouden bij de raming van de behoefte.
Nadere toelichting bij de minimale elementen die in de raming van de behoeften een plaats hebben :

1° De vastgestelde nataliteit en de prognose van de toekomstige nataliteit in het Vlaams Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
De nataliteit vormt een bepalende factor in de vraag naar kinderopvang. Bij een stijging van het geboortecijfer, bestaat de kans dat ook de vraag naar kinderopvangplaatsen zal stijgen. De vragen naar kinderopvang stellen zich immers vrij snel na de geboorte. Daarom is het essentieel dat niet enkel de vastgestelde, maar ook de toekomstige nataliteit mee in rekening gebracht wordt bij een programmatie en dat die te verwachten nataliteit ook wetenschappelijk geraamd wordt.

2° Het aantal kinderen dat kinderopvang gebruikt:
De behoefte aan kinderopvang wordt niet enkel bepaald door het aantal geboren kinderen. Ook de mate van gebruik van kinderopvang is een relevant gegeven. Een stijging of daling in geboortecijfer betekent immers niet automatisch een stijging of daling in het gebruik.

3° De gezinskenmerken en de werksituatie van gezinnen met niet-schoolgaande kinderen vooral in het kader van de stimulering van de tewerkstellingsgraad:
De gezinskenmerken en de werksituatie hebben een impact op de grootte van de behoefte aan kinderopvang, maar ook op de noodzaak tot spreiding van de middelen. Afhankelijk van de politieke beleidsopties kunnen bepaalde kenmerken een grotere of kleinere rol spelen (bvb. de mate van tewerkstelling of werkloosheid bij gezinnen met jonge kinderen). Met de bepaling “vooral in functie van de tewerkstellingsgraad” wordt ook aangegeven dat, in ondersteuning van de drie maatschappelijke functies, het voorzien van voldoende kinderopvang ook een belangrijke functie heeft in het ondersteunen van mogelijkheden tot instap,in de arbeidsmarkt. Het hebben van werk is een belangrijke hefboom om de socio-economische situatie van gezinnen te verbeteren, en aldus ook een instrument in de strijd tegen armoede van gezinnen. De Vlaamse Regering kiest er expliciet voor om kinderopvang in te zetten voor de verhoging van de tewerkstellingsgraad en het bestrijden van armoede.

4° Het aantal plaatsen in de vergunde kinderopvangvoorzieningen en de bezetting ervan:
De behoefte wordt mee bepaald door het aanbod. Bovendien is er vrijheid van initiatiefname in de kinderopvang. De Vlaamse overheid kan het aantal kinderopvangplaatsen slechts ten dele zelf aansturen. Daarom moet de programmatie en de spreiding van de overheidsmiddelen rekening houden met (de evoluties in) het aantal plaatsen. De mate waarin de beschikbare plaatsen inkomensafhankelijk zijn voor de gezinnen en de mate waarin deze plaatsen effectief worden bezet, kan hierin tevens een belangrijk element zijn.

5° Kenmerken van gemeenten:
Meerdere kenmerken kunnen een invloed hebben op de behoefte aan kinderopvang, zoals bijvoorbeeld de demografische samenstelling (bvb. gezinssamenstelling), de geografische ligging (bvb. in een landelijke uithoek), de economische situatie (bvb. veel bedrijven en industrie) of de centrumfunctie.

Hoofdstuk 2. Vergunningsstelsel

Afdeling 1. Vergunningsplicht
Artikel 4.

Lid 1, het hebben van een vergunning:

Europa (EDRL) stelt dat vergunningsstelsels enkel toegelaten zijn als deze geen discriminerende werking hebben jegens de betrokken dienstverleners en als de behoefte aan zo’n stelsel gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Dit is het geval met het vergunningsstelsel voor kinderopvang, dat de bescherming van de rechten van jonge kinderen en gezinnen tot doel heeft.

Niemand in Vlaanderen kan een kinderopvangvoorziening organiseren zonder daarvoor een vergunning te hebben. Een vergunning is een toelating van Kind en Gezin om opvang te organiseren en een formele bevestiging dat de geldende vergunningsvoorwaarden worden nageleefd. Dit is noodzakelijk omwille van het belang en het recht van gezinnen/kinderen op kwaliteitsvolle kinderopvang. Maar tevens om op die manier gelijke voorwaarden te creëren voor gelijke opvangsoorten, wat doorzichtigheid voor gezinnen en voor initiatiefnemers met zich meebrengt.

Dit betekent dat wie het voornemen heeft om een kinderopvangvoorziening te organiseren, daarvoor een aanvraag moet doen bij Kind en Gezin.

Naargelang de locatie waar de kinderopvang plaatsvindt en het aantal voorgenomen begeleiders die voor de kinderopvang zullen instaan, kan Kind en Gezin drie soorten vergunning toekennen:

1° vergunning voor gezinsopvang:

Gezinsopvang is kinderopvang die in principe buiten de gezinswoning van het op te vangen kind plaatsvindt, door één begeleider. Omdat er maar één begeleider is, moet het aantal kinderen dat tegelijk kan worden opgevangen beperkt worden. Om uitzonderlijke situaties op te vangen, kunnen voor een beperkte periode en binnen de infrastructurele mogelijkheden en rekening houdend met de draagkracht van het kind en van de onthaalouder 1 of 2 bijkomende plaatsen vergund worden, mits het aantal gelijktijdig aanwezige kinderen nooit meer is dan 7 . Het kan zijn dat er bij gezinsopvang eigen kinderen van de begeleider opgevangen worden, en dus dat het voor die kinderen gaat om opvang in hun gezinswoning. Om van gezinsopvang te kunnen spreken dienen er ook andere kinderen opgevangen te worden (buiten hun gezinswoning).

2° vergunning voor groepsopvang:

Groepsopvang is kinderopvang die in principe buiten de gezinswoning van het op te vangen kind plaatsvindt door meerdere begeleiders. Doordat er meerdere begeleiders zijn, zullen er meer kinderen opgevangen kunnen worden dan bij gezinsopvang. Er zijn maximaal 6 gelijktijdig aanwezige kinderen per begeleider, mits dat aantal op bepaalde momenten kan verhoogd worden .

3° vergunning voor opvang aan huis:

Europa maant aan tot voorzichtigheid wanneer de toegang tot bepaalde diensten voorbehouden wordt aan bepaalde dienstverleners. Hiermee wordt rekening gehouden bij de afbakening van opvang aan huis. Dienstverlening voor opvang aan huis wordt niet voorbehouden, maar geldt, net zoals voor de twee andere opvangvormen (gezinsopvang en groepsopvang), voor elke dienstverlener die aan de definitie van ‘kinderopvang’ beantwoordt. Dit betekent dat ieder die professionele kinderopvang (tegen betaling) aanbiedt aan huis, daartoe een vergunning moet hebben. Opvang aan huis kan op verschillende manieren georganiseerd zijn, naar analogie met de organisatie van respectievelijk gezins- en groepsopvang: het kan zowel gaan over een individueel persoon of individuele personen die opvang aan huis verzorgen, als over organisaties die begeleiders uitsturen om opvang aan huis te doen.
Verwijzend naar de toelichting inzake het toepassingsgebied dat onder de definitie ‘kinderopvang’ valt (zie artikel 2, §1, 2°), wordt de activiteit die een huisbediende of een gouvernante verricht als werknemer van de ouder van het kind niet als opvang aan huis beschouwd, ook als deze activiteit de zorg en de opvoeding van het kind impliceert. In dat geval is er geen vergunningsplicht en is de ouder ten volle zelf verantwoordelijk, omdat hij zowel de organisator als de gebruiker van de opvang is.

Welke soort vergunning de organisator zal krijgen, is dus afhankelijk van de plaats waar de opvang gebeurt, en het aantal begeleiders. Kinderopvang die buiten de gezinswoning van een kind plaatsvindt, hetzij in de gezinswoning van de organisator, hetzij op een andere plaats, is gezins- dan wel groepsopvang. Het zal gaan om gezinsopvang indien er maar één begeleider is, om groepsopvang als dat er meerdere zijn. Als twee personen een samenwerking hebben waarbij ze elk de helft van de week alleen aan kinderopvang doen zonder gezamenlijke opvangmomenten, dan zullen zij elk een vergunning voor gezinsopvang moeten hebben. Als zij tegelijk de kinderopvang doen, al dan niet mits taakverdeling, dan gaat het om groepsopvang, en zullen zij een vergunning voor groepsopvang nodig hebben.

‘Gezinsopvang’ of ‘opvang aan huis’ van enkel eigen kinderen van de begeleider zelf, is geen kinderopvang zoals bedoeld in het decreet, omdat de opvoeding, de zorg en het bijdragen aan de ontwikkeling van eigen kinderen niet als professionele activiteit kan worden beschouwd.

Lid 2, de duur van de vergunning:

De vergunning geldt voor onbepaalde duur, dus heeft geen einddatum, maar wordt regelmatig door de overheid opgevolgd: de voorwaarden worden gecontroleerd en indien nodig kan de vergunning worden ingetrokken (zie hoofdstuk 6 met betrekking tot de handhaving).

Lid 3, toezicht:

Europees wordt de nadruk er op gelegd dat een vergunning maar verleend wordt nadat een passend onderzoek heeft vastgesteld dat aan de vergunningsvoorwaarden is voldaan. Dit zal het geval zijn met de vergunning voor kinderopvang, die pas toegekend zal kunnen worden na onderzoek. Dit onderzoek zal enerzijds een onderzoek op stukken zijn, door Kind en Gezin, en anderzijds een onderzoek ter plaatse door diegene die door de Vlaamse Regering is aangeduid als toezichthouder, op de vestigingsplaats van de voorgenomen kinderopvangvoorziening (tenzij voor opvang aan huis).

Onderzocht zal moeten worden of de voorgenomen kinderopvangvoorziening een redelijke garantie kan bieden op kwaliteitsvolle kinderopvang, dus of de voorziening redelijkerwijze kan voldoen aan de vergunningsvoorwaarden. Om dit te kunnen onderzoeken zullen die voorwaarden onderzocht worden, die gecontroleerd kunnen worden vóór de effectieve start van de opvang.

Eens de vergunning is toegekend zal een opvolgingsonderzoek moeten volgen naar voorwaarden die pas kunnen blijken wanneer er een effectieve werking van de opvangvoorziening is.

Zolang Kind en Gezin geen vergunning heeft toegekend, kan de kinderopvangvoorziening niet in werking treden, en kunnen dus geen kinderen worden opgevangen, ook al zou de voorziening in de feiten aan de vergunningsvoorwaarden voldoen. Kind en Gezin dient daarom een beslissing te nemen over de vergunning binnen een maximumtermijn. Indien dit onderzoek niet gebeurt binnen de vastgelegde termijn na de aanvraagdatum, zal de vergunning geacht worden te zijn toegekend (principe behoorlijk bestuur en rechtszekerheid voor diegene die een reguliere aanvraag deed). Eens er een vergunning is, kan de kinderopvangvoorziening van start gaan met de werking, en dus effectief kinderen opvangen.

Lid 4, stopzetting:

Wanneer de werking van een vergunde kinderopvangvoorziening tijdelijk stopgezet wordt, bijvoorbeeld omdat er infrastructuurwerken dienen te gebeuren, moet dit gemeld worden aan Kind en Gezin, die dit kan opnemen in het informatie- en registratiesysteem. Wanneer een kinderopvangvoorziening definitief stopt met de werking, moet dit eveneens worden gemeld aan Kind en Gezin. Wanneer dit niet gebeurt, kan dit aanleiding geven tot een maatregel, opgelegd door Kind en Gezin, gezien vanuit het algemeen belang vereist is dat er duidelijke en actuele informatie beschikbaar is op elk moment. Wanneer Kind en Gezin de vergunning schorst, opheft of intrekt als sanctie (zie Hoofdstuk 6 met betrekking tot de handhaving) moet de organisator dit niet melden aan Kind en Gezin, omdat Kind en Gezin zelf over de informatie beschikt om het informatie- en registratiesysteem te actualiseren.

Lid 5, nadere voorwaarden:

De Vlaamse Regering zal nadere voorwaarden m.b.t. voorgaande leden bepalen, o.a.:

- welke de procedure is voor de vergunningsaanvraag en welke gegevens die aanvraag minimaal moet bevatten. Bedoeling is dat Kind en Gezin die gegevens in handen heeft die toelaten een beslissing te nemen over de vergunningsaanvraag.
- hoe de melding van stopzetting moet gebeuren, en binnen welke termijn.
- binnen welke termijn het onderzoek voorafgaand aan het toekennen van de vergunning moet gebeuren.
- welke voorwaarden beschouwd worden als voorwaarden die reeds voor de start zullen gecontroleerd worden (startvereisten). Het zal gaan om voorwaarden m.b.t. de infrastructuur (tenzij voor opvang aan huis), m.b.t. de begeleiders (o.a. kwalificatiebewijzen) en m.b.t. het kwaliteitsbeleid dat er moet zijn. Er moet op voorhand een minimaal ‘kinderopvangbeleid’ opgesteld worden, waarbij door de organisator aangetoond kan worden dat er nagedacht is over de voorgenomen activiteit, waarbij het besef er is dat de organisatie van een kinderopvangvoorziening maar effectief in werking kan treden wanneer daarvoor een aantal zaken op punt staan die geverifieerd zijn door de bevoegde overheid. Het uitgewerkte kwaliteitsbeleid moet een weerspiegeling zijn van de toekomstige werking van de kinderopvangvoorziening zodat op basis van het document reeds blijkt hoe men bij de start van de opvang zal voldoen aan de vergunningsvoorwaarden die pas na de start kunnen gecontroleerd worden. Voorbeeld voor de voorwaarde met betrekking tot psychische en fysieke veiligheid van kinderen moet men reeds uitwerken hoe men deze veiligheid zal garanderen en hoe men met gevaarsituaties zal omgaan. De organisator zal voor de start ook een financieel plan moeten insturen waaruit blijkt dat men vooraf over dit aspect heeft nagedacht en dat financiële leefbaarheid mogelijk is. Dit is nodig in functie van een zekere garantie op continuïteit van het aanbod.

De procedures betreffen naast de aanvraag ook de wijziging, de opheffing en de intrekking van de vergunning, evenals de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen tegen een beslissing inzake de vergunning.

Artikel 5.

De vergunning zal een aantal essentiële gegevens bevatten, aangezien een vergunning toegekend wordt aan een welbepaalde organisator, voor het opvangen van kinderen op een welbepaalde locatie, vanaf een bepaalde datum en voor een aantal kinderopvangplaatsen.
De organisator kiest zelf voor welk aantal kinderopvangplaatsen een vergunning wordt gevraagd. Het is mogelijk dat de infrastructuur een groter aantal plaatsen toelaat, maar dat de organisator verkiest met een kleiner aantal plaatsen te werken. Uitzonderlijk kan het gebeuren dat een kinderopvangvoorziening een aantal kinderen moet kunnen opvangen boven het vergunde aantal plaatsen, bijvoorbeeld om een crisissituatie te kunnen ondersteunen of om het plotse sluiten van een andere opvangvoorziening te helpen opvangen. Dit zal mogelijk zijn, voor zover deze voorziening niet méér kinderen opvangt dan binnen de beschikbare infrastructuur nog kwalitatief te verantwoorden is en voor zover er voor dat aantal kinderen de nodige begeleiding aanwezig is. Hoe met dergelijke situaties is om te gaan, wordt geregeld bij uitvoeringsbesluit.
Zoals verder in artikel 8 is bepaald, kan de organisator een basissubsidie krijgen voor de vergunde groeps- en gezinsopvang. Het opzet is dat deze basissubsidie wordt betaald per vergunde plaats. Dit zal evenwel slechts mogelijk zijn binnen de marges van de begroting, voor vergunde plaatsen waarvan een zekere mate van gebruik effectief wordt aangetoond en voor zover de organisator zelf deze basissubsidie wenst.

In de vergunning voor opvang aan huis kan enkel sprake zijn van een maximum aantal kinderen per begeleider, wat een vergunningsvoorwaarde is (zie art 6 §1, 2°) en van de datum waarop de vergunning wordt toegekend.

Belangrijk is ook dat wanneer één van de essentiële gegevens op basis waarvan de vergunning toegekend wordt, wijzigt, er een nieuwe vergunning aangevraagd zal moeten worden, en deze aanvraag opnieuw zal moeten worden onderzocht, in het belang (van de veiligheid) van de opgevangen kinderen.

De procedure bij aanvraag van een nieuwe vergunning omwille van wijziging van gegevens, zal voorzien in een regeling van naadloze overgang zodat een voorziening niet onnodig zonder vergunning valt.

De Vlaamse Regering zal nader bepalen welke andere gegevens de vergunning moet bevatten.

Afdeling 2. Vergunningsvoorwaarden.
Artikel 6.

De hiervoor reeds opgesomde kwaliteitsdoelstellingen (zie Algemene toelichting, Doelstelling) kunnen gerealiseerd worden via meerdere sporen, zoals voorlichting, ondersteuning, preventieve maatregelen maar ook via juridisch afdwingbare normen in het decreet. Deze juridisch afdwingbare normen vormen de zogenaamde ‘vergunningsvoorwaarden’.

Het gaat om voorwaarden waarvan de organisator moet kunnen aantonen dat de organisatie en de werking van de kinderopvangvoorziening er aan beantwoordt.

Dit artikel bevat dus rechten voor de gebruikers, zijnde de kinderen en gezinnen die van kinderopvang gebruik maken. Hun rechten worden afdwingbaar via de verplichting voor de kinderopvangvoorziening om aan elk van de opgesomde aspecten te voldoen, in hun belang.

De vergunningsvoorwaarden betreffen 12 clusters van vereisten. Deze bevatten de kerngedachte van de diverse concrete vergunningsvoorwaarden. Op decretaal niveau worden de voorwaarden gevat via globale vereisten, welke de kerngedachte van de diverse concrete voorwaarden vatten. De Vlaamse Regering vindt in deze globale vereisten de regelgevende basis om deze nader te kunnen invullen en te concretiseren in uitvoeringsbesluiten. Daarbij kan de Vlaamse Regering ook specificeren naargelang het gaat om gezinsopvang, groepsopvang of opvang aan huis. Bij deze concretisering moet de Vlaamse Regering minstens een aantal aspecten behandelen, die in het decreet expliciet worden vernoemd.
Het voorstel voor de inhoud van deze globale clusters en de verdere concretisering ervan kreeg onder meer gestalte in uitgebreid overleg tussen Kind en Gezin en vertegenwoordigers van alle geledingen van de Vlaamse kinderopvangsector, organisaties die gezinnen met jonge kinderen vertegenwoordigen en onafhankelijke wetenschappelijke experten.

Paragraaf 1: de globale vereisten:

1° de verantwoordelijke, minstens zijn geattesteerde competenties en actieve kennis van de Nederlandse taal (minimumniveau B2 volgens het Europees referentiekader voor de talen) :

Er zullen specifieke voorwaarden gesteld worden aan de verantwoordelijke(n) van een kinderopvangvoorziening.

Deze voorwaarden zullen minstens de geattesteerde competenties en de actieve kennis van de Nederlandse taal bevatten.
De invulling van deze voorwaarden, en de vereiste van andere voorwaarden zullen vastgelegd worden door de Vlaamse Regering.

Uitgangspunt voor de vereisten inzake de actieve kennis van het Nederlands voor de verantwoordelijke (en de begeleider, zie 2°) in de kinderopvang is hoe dan ook de taalvrijheid zoals gewaarborgd door de Grondwet (artikel 30) . De vergunningsvoorwaarden zullen niet aan deze taalvrijheid raken, er zullen enkel voorwaarden gelden rond taalkennis. Kennis van het Nederlands is noodzakelijk om een aantal doelstellingen te kunnen bereiken. Actieve kennis van het Nederlands van de verantwoordelijke is van belang om onder meer de van toepassing zijnde regelgeving, richtlijnen, aanbevelingen en gehanteerde instrumenten te kunnen verstaan en toepassen op de werkvloer. Daarnaast is deze kennis ook aangewezen om vlot contact met gezinnen te kunnen aangaan. De kinderopvang dient ook ingeschakeld te worden om een actieve rol te spelen in de strijd tegen de taalachterstand. Als de verantwoordelijke vervangen moet worden, voldoet de vervanger ook aan de voorwaarden.

De taalkennis zal bewezen kunnen worden aan de hand van een behaald Nederlandstalig kwalificatiebewijs , of een taaltest (minimum niveau B2 volgens het Europees referentiekader voor de talen). De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden.

Tevens zal een minimumleeftijd van 21 jaar gevraagd worden omwille van de nodige maturiteit van de persoon en de verantwoordelijkheid die hij draagt over de zorg voor zeer jonge kinderen en de organisatie van de dienstverlening aan de gezinnen, de kinderen en de begeleiders.

2° de begeleider, minstens het aantal in functie van het aantal tegelijk aanwezige kinderen, zijn geattesteerde competenties en actieve kennis van de Nederlandse taal (minimum niveau B2 volgens het Europees referentiekader voor de talen). :

Er zullen specifieke voorwaarden gesteld worden aan de begeleiders van een kinderopvangvoorziening.

Deze voorwaarden zullen minstens de competenties, de kennis van de Nederlandse taal en het aantal in verhouding tot het aantal aanwezige kinderen bevatten. De invulling van deze voorwaarden, en de vereiste van andere voorwaarden zullen vastgelegd worden door de Vlaamse Regering.

Elke begeleider in vergunde groepsopvang, vergunde gezinsopvang en vergunde opvang aan huis moet beschikken over geattesteerde competenties (art 6, 2°). Daartoe moet zij of hij aan de kwalificatievereisten voldoen. Dit kunnen de kwalificaties zijn die behaald kunnen worden via dagonderwijs (bvb. 7de jaar BSO kinderzorg, kleuterleidster, opvoed(st)er,…) of volwassenenonderwijs.
Dit kan eveneens een kwalificatie zijn, behaald na een specifieke basisopleiding begeleider in de gezinsopvang (te organiseren door onderwijsinstellingen voor volwassenenonderwijs). Deze specifieke basisopleiding omvat enkele theoretische modules (spelen met en begeleiden van jonge kinderen, samenwerken met gezinnen, verzorging en EHBO bij jonge kinderen) en een gesuperviseerde beroepspraktijk, vetrekkend vanuit de eigen beroepspraktijk als onthaalouder.
Deze basisopleiding wordt voorzien via een gecombineerde opleidingsmethode (bvb. klassikale lessen op zaterdagvoormiddagen, gecombineerd met thuisleren en opdrachten maken). Binnen dit kader wordt tevens de mogelijkheid van EVC ontwikkeld, zodat de basisopleiding ook middels een geïndividualiseerd opleidingstraject kan doorlopen worden. Dit kan aangewezen zijn voor wie reeds geruime tijd werkzaam is in de gezinsopvang, maar daartoe geen voldoende kwalificatie bezit. Voor deze groep zijn ook specifieke overgangsmodaliteiten en –termijnen te voorzien.

De basisopleiding leidt tot een kwalificatie die niet enkel geldt voor gezinsopvang, maar die tevens, eventueel mits aansluitende bijkomende opleidingsmodules, doorstroommogelijkheden biedt naar andere functies binnen de kinderopvang en de zorgsector in het algemeen.

Daarnaast dient de kindbegeleider een actieve kennis van het Nederlands te hebben om de van toepassing zijnde regelgeving, richtlijnen, aanbevelingen en de gehanteerde instrumenten correct te kunnen interpreteren en toepassen op de werkvloer. De kennis van de Nederlandse taal is tevens noodzakelijk voor de begeleider om de jonge kinderen in hun meest gevoelige leeftijd voor taalontwikkeling op een correcte wijze te kunnen begeleiden en stimuleren in de verwerving van het Nederlands als de voertaal in de Vlaamse samenleving en als de taal van het Vlaamse onderwijs. Het IVRK stelt dat elk kind recht heeft op ontwikkeling. Het is de taak van de overheid het kind hierin te ondersteunen. Eén van de aspecten van de ontwikkeling is de taal. Het vlot kunnen spreken van een taal bevordert de deelname aan de samenleving.
De kennis van de Nederlandse taal is tevens noodzakelijk voor de begeleider om de jonge kinderen in hun meest gevoelige leeftijd voor taalontwikkeling op een correcte wijze te kunnen begeleiden en stimuleren in de verwerving van het Nederlands als de voertaal in de Vlaamse samenleving en als de taal van het Vlaamse onderwijs. Het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind stelt dat elk kind recht heeft op ontwikkeling. Het is de taak van de overheid het kind hierin te ondersteunen. Eén van de aspecten van de ontwikkeling is de taal. Het vlot kunnen spreken van een taal bevordert de deelname aan de samenleving. Naast het hanteren van het Nederlands als de omgangstaal met de kinderen, is ook nodig dat de begeleider (in het kader van de identiteitsontwikkeling) ook aandacht heeft voor de thuistaal van het kind indien dit geen Nederlands is. Dit wil zeggen dat we het spreken van deze taal niet mogen negeren of afstraffen. Het zorgt ervoor dat kinderen zich veilig en goed kunnen voelen. Bovendien is aandacht voor de thuistaal een belangrijke hefboom om de betrokkenheid en de participatie van kinderen en hun gezin bij de opvang te versterken.
De taalkennis zal bewezen kunnen worden aan de hand van een behaald Nederlandstalig kwalificatiebewijs of een taaltest (minimum niveau B2 volgens het Europees referentiekader voor de talen). De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden.

De concrete invulling van deze voorwaarden, en de vereiste van andere voorwaarden zullen vastgelegd worden door de Vlaamse Regering.
Daarbij zal voor elk van deze voorwaarden niet meer vereist zijn dan nodig is om de doelstelling achter de voorwaarde te bereiken.

Het vereiste aantal kindbegeleiders in functie van het aantal aanwezige kinderen is vandaag op een verschillende wijze geregeld naargelang de opvangvorm en naargelang het erkende en gesubsidieerde opvang, dan wel zelfstandige opvang betreft. Een éénvormig vergunningssysteem noopt tot stroomlijning van de verschillende benaderingswijzen; verschillen kunnen enkel worden verantwoord waar dat verantwoord is voor de op te vangen kinderen. Immers om uitzonderlijke situaties op te vangen kunnen voor een beperkte periode en binnen de infrastructurele mogelijkheden en rekening houdend met de draagkracht van het kind en van de onthaalouder bijkomende plaatsen vergund worden (flexibiliteit).
Het aantal begeleiders in verhouding tot het aantal tegelijk aanwezige kinderen heeft invloed op de wijze waarop de interactie tussen kind en begeleider kan georganiseerd worden. Als een begeleider voor heel veel kinderen tegelijk instaat, kan hij slechts beperkt individuele aandacht geven aan elk kind. Uit onderzoek blijkt dat in de eerste levensjaren wederzijds stimulerende interacties tussen kind en begeleider/ ouder belangrijk zijn voor de ontwikkeling. Een essentiële ontwikkelingstaak voor een baby in zijn eerste levensjaar is om zich veilig te hechten aan zijn ouder en in de opvang aan een begeleider zodat er een goede emotionele communicatie is tussen de zuigeling en de primaire opvoeders. Indien de omgeving onvoldoende zorg en aandacht een het kind schenkt, kunnen stoornissen of vertragingen ontstaan in de groei en ontwikkeling van het kind.

Bovendien zijn er ook andere aspecten die mee in rekening moeten gebracht worden. Zo zijn er in de groepsopvang grote verschillen of de begeleider alle voorbereidende taken naast het opvangen van de kinderen (aankoop materialen, bereiden van eten, hygiëne en onderhoud) ook zelf moet opnemen, of deze kan uitbesteden aan derden.

De in regelgeving vast te leggen norm zal evenwel haalbaar en betaalbaar moeten zijn voor de organisator van de kinderopvang. Hierbij zal de subsidiehoogte belangrijk zijn en aldus ook de betaalbaarheid voor de Vlaamse overheid.
De Vlaamse Regering zal moeten beslissen welke norm er concreet zal worden opgelegd en gehandhaafd, en op welke wijze die op het terrein van toepassing zal zijn. Daartoe is in opdracht van Kind en Gezin recent onderzoek verricht naar de concrete situatie inzake het aantal aanwezige begeleiders voor het aantal aanwezige kinderen op de verschillende momenten van de dag in alle types van groeps- en gezinsopvang. De conclusies van en de aanbevelingen uit dit onderzoek zijn momenteel in opbouw. In het uitvoeringsbesluit inzake de vergunningsvoorwaarden zal de Vlaamse Regering een aanwezigheidsnorm voor de begeleider moeten inschrijven die rekening houdt met deze conclusies en aanbevelingen in functie van een evenwicht tussen wat nodig is in functie van kwaliteit, van betaalbaarheid en van wat haalbaar is gezien de huidige realiteit.

Voor opvang aan huis wordt het aantal kinderen dat gelijktijdig door één begeleider aan huis kan worden opgevangen eveneens bepaald door de Vlaamse Regering, rekening houdend met de omstandigheid dat de begeleider steeds ‘op verplaatsing’ werkt in een voor hem vreemde omgeving en dat er naast de kinderen die nog niet naar de kleuterschool gaan, ook oudere kinderen kunnen aanwezig zijn.

Omwille van de maturiteit en verantwoordelijkheid die de kindbegeleider nodig heeft in de zorg voor het heel jonge kind, moet hij of zij minstens meerderjarig zijn. De minimumleeftijd van de kindbegeleider wordt aldus gelegd op 18 jaar. Zeker in de opvangsituatie waar een begeleider alleen werkt en dus alleen de verantwoordelijkheid over de kinderen moet dragen, is voldoende maturiteit en draagkracht aangewezen. Of de persoon in kwestie daaraan voldoet is daarom ook apart te onderzoeken door een daartoe aangewezen organisatie (zie §2).

Als een begeleider afwezig is en vervangen moet worden, en deze vervanging op voorhand gepland kan worden of van langer durende aard is (dus geen crisissituatie), dan voldoet de vervanger volledig aan de geldende voorwaarden voor de kindbegeleider.

De Vlaamse Regering kan ook andere concrete vereisten voor begeleiders formuleren. Zo bijvoorbeeld, in functie van de fysieke veiligheid van de kinderen (zie 9°) dat het noodzakelijk is dat wie jonge kinderen begeleidt, beschikt over een bewijs van een met vrucht gevolgde basisopleiding levensreddend handelen en EHBO. De eerste drie levensjaren zijn de vitale functies van een kind nog in volle ontwikkeling en het meest kwetsbaar. De overgang van thuis naar de kinderopvang is een stressvolle periode voor het kind. Het risico op wiegendood is het grootst in het eerste levensjaar Om crisissituaties te kunnen opvangen wordt er een geschikt attest van een basisopleiding levensreddend handelen bij kinderen en attest EHBO gevraagd, en een voldoende recente opfrissingcursus ter zake.

3° de verantwoordelijkheidstoedeling en de vorming:

De term ‘verantwoordelijkheidstoedeling’ komt onder meer voor in Nederlandse wetgeving van toepassing op zorginstellingen, zoals in de Wet Kinderopvang. Verantwoordelijkheidstoedeling betekent: duidelijke en expliciete afspraken geldend voor de gehele instelling over wie precies waarvoor verantwoordelijk is, en onderling overleg en afstemming ter zake.
Toegepast op een kinderopvangvoorziening impliceert de verantwoordelijkheidstoedeling dat de verantwoordelijkheid voor het omgaan met kinderen, gezinnen en medewerkers, voor het beheer van infrastructuur, financiën en het omgaan met derden in het kader van de dienstverlening, toegewezen en binnen de organisatie bekend zijn.
Elkeen die in de kinderopvang verantwoordelijkheid toebedeeld krijgt, versterkt zijn competenties door het volgen van vormings - en opleidingsactiviteiten die minstens ook aansluiten bij zijn verantwoordelijkheden. Reflecteren over het eigen functioneren is noodzakelijk. Nieuwe evoluties en inzichten in de ontwikkeling van het kind moeten geïntegreerd kunnen worden in de kinderopvang. Het is van belang dat medewerkers van kinderopvangvoorzieningen hierin mee evolueren.

Voor wat betreft de gezinsopvang, zal in deze vorming plaats zijn voor het leertraject dat onthaalgezinnen kunnen volgen om hun geattesteerde competenties uit te breiden.
Ook voor de groepsopvang die werkt met begeleiders in een opleidingstraject naar geattesteerde competenties, maakt dit traject deel uit van de vormingsvereisten.

4° de groepsgrootte van de kinderen:

Het opleggen van een maximale groepsgrootte is verantwoord. Immers, hoe meer kinderen in de groep aanwezig zijn, hoe drukker en lawaaieriger het er is.
Hoe meer kinderen in één groep, hoe meer er gestructureerd moet worden en hoe meer de noodzaak van een collectieve aanpak zich stelt om het groepsgebeuren te kunnen beheersen.

Hoe meer kinderen in één groep, hoe groter het risico ook dat kinderen ‘vergeten’ worden en hoe groter de kans dat kinderen onvoldoende tot rust kunnen komen.
Dit alles verhoogt de stress en de belasting zowel voor de begeleiders als de aanwezige kinderen. Dit terwijl de jonge leeftijd van de kinderen vraagt om een zo individueel mogelijke benadering van de kinderen, en positieve interactie tussen de begeleider en het kind, welke tegemoet komt aan de ontwikkelingsfase, interesses, ritme e.d. van het kind
In de ons omringende landen worden daarom ook maximale groepsgroottes bepaald .

De Vlaamse Regering zal moeten uitmaken hoe de norm concreet zal worden ingevuld, rekening houdend met bovenstaande en met de haalbaarheid en betaalbaarheid. Daartoe is ook op dit punt uit het voormelde onderzoek in opdracht van Kind en Gezin (zie voetnoot 15) informatie beschikbaar over de huidige situatie op het terrein.

5° het pedagogische beleid en pedagogische ondersteuning in functie van het stimuleren van de ontwikkeling van elk kind op lichamelijk, cognitief, sociaal-emotioneel, communicatief, creatief en moreel vlak, in functie van het waarborgen van het welbevinden en de betrokkenheid van elk kind:

Rekening houdend met wetenschappelijke inzichten is er sprake van ‘verantwoorde kinderopvang’ als:
- de opvang een pedagogisch beleid voert dat het welbevinden en de betrokkenheid van elk kind bevordert en nagaat of dit effectief het geval is en waar nodig verbeteracties onderneemt. De opvang gebruikt hiervoor een methode. Communicatie is een essentieel onderdeel in dit pedagogische beleid;

- elk kind op zijn mogelijkheden wordt aangesproken en gestimuleerd wordt in zijn sociaal-emotionele, lichamelijke, cognitieve, communicatieve, creatieve en morele ontwikkeling;

- de opvang zorgt voor regelmaat in de dagindeling en dit doet met aandacht voor het eigen ritme en de eigenheid van elk kind;

- er een gevarieerd spel- en activiteitenaanbod is waar kinderen aan kunnen deelnemen. Er is verschillend spelmateriaal in functie van de ontwikkeling van het kind en aangepast aan het ontwikkelingsniveau, de interesses en het aantal kinderen;

- de opvang een respectvolle houding naar elkaar toe bevordert.

Om dit te kunnen waarborgen is het nodig dat de organisator zorgt voor een pedagogische beleid, en dat elkeen die in een kinderopvangvoorziening met de kinderen omgaat kan terugvallen op ondersteuning inzake de pedagogische aspecten van de kinderopvang, zoals bvb. hoe de ontwikkeling van kinderen m.i.v. taalontwikkeling ondersteunen, hoe omgaan met en een respectvolle plaats geven aan de ouders van het kind, hoe hen waar nodig opvoedingsondersteuning geven, hoe werken aan een omgangswijze waar zowel kinderen als ouders zich veilig kunnen bij voelen, e.d.m. Naar vorm kan het bvb. gaan om individuele coaching van de begeleider in de gezinsopvang, het pedagogisch begeleiden van een team begeleiders in groepsopvang of het pedagogisch begeleiden van begeleiders van verschillende voorzieningen en het op de werkvloer pedagogisch ondersteunen van begeleiders in opleiding.

De organisator, van zowel gezinsopvang, groepsopvang als opvang aan huis, zorgt dat deze ondersteuning beschikbaar is, hetzij intern wanneer binnen de (groep van) voorziening(en) daartoe een medewerk(st)er met de passende kwalificatie beschikbaar is, hetzij door deze expertise extern in te huren.
De Vlaamse Regering bepaalt de minimale voorwaarden voor deze ondersteuning, onder meer wat wordt verstaan onder een passende kwalificatie (gedacht wordt aan iemand met minstens een bachelorniveau in een pedagogische richting of met relevante pedagogische competenties), in welke intensiteit of frequentie deze pedagogische ondersteuning moet geboden kunnen worden (enkel oproepbaar of ook actief ondersteunend), etc.

6° het kwaliteitsbeleid, met inbegrip van de periodieke evaluatie door de gezinnen en een klachtenbehandeling:

De vergunningsvoorwaarden moeten gesitueerd worden naast de voorwaarden voortvloeiend uit het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen, dat voorzieningen verplicht om verantwoorde zorg te verstrekken aan iedere gebruiker. Het kwaliteitsdecreet legt verplichtingen op aan de kinderopvangvoorzieningen, bovenop de vergunningsvoorwaarden die op hen van toepassing zijn. Het decreet voorschoolse kinderopvang legt de vergunningsvoorwaarden zelf op, het kwaliteitsdecreet legt op hoe bepaalde van die voorwaarden geformaliseerd moeten worden, tot uiting gebracht worden, meer bepaald in een kwaliteitshandboek . Beide decreten zijn dus naast elkaar te lezen, en cumulatief toe te passen.

De periodieke evaluatie door de gezinnen en de klachtenbehandeling zijn vandaag reeds opgenomen in het kwaliteitsdecreet, dat hoe dan ook op de vergunde kinderopvangvoorziening van toepassing is. Door evaluatie en klachtenbehandeling toch expliciet als voorwaarde op te nemen in het decreet houdende de organisatie van de voorschoolse kinderopvang, worden deze opdrachten uitdrukkelijk gekwalificeerd als een ‘vergunningsvoorwaarde’, en worden ze als gebruikersrechten in de kinderopvang op decretaal niveau verankerd.

De periodieke evaluatie heeft tot doel dat de gezinnen de kans krijgen om geregeld het stukje van de werking van de opvang dat zij zelf te zien krijgen en mee kunnen inschatten te beoordelen. Dit geeft de organisator (en de medewerker(s)) van de voorziening ook de kans de eigen opvang te bekijken door de ogen van de gebruikers, aan zelfevaluatie doen, de werking waar nodig en mogelijk te optimaliseren en hierover de communicatie met de gezinnen op te nemen. De vorm waarin dit moet of kan gebeuren wordt decretaal niet opgelegd. De Vlaamse Regering kan een aantal minimale voorwaarden vastleggen.

Elke kinderopvangvoorziening dient effectief en expliciet over een eigen procedure van klachtbehandeling te beschikken, zodat gezinnen met eventuele klachten in eerste instantie bij de kinderopvangvoorziening zelf terecht kunnen en gehoor vinden. De klacht wordt immers best in eerste instantie opgenomen en opgelost met wie direct betrokken is. Daarnaast zullen gezinnen ook de mogelijkheid blijven hebben om rechtstreeks een klacht in te dienen bij Kind en Gezin, indien zij dit wenselijk achten. Kind en Gezin neemt deze klacht dan op met de ouders en de opvang.

7° het financieel beleid:

Het financieel beleid van de kinderopvangvoorziening staat niet los van de kwaliteit en de continuïteit van de opvang. Een vergunning voor kinderopvang zal maar mogelijk zijn wanneer duidelijk is dat de organisator vooraf grondig heeft nagedacht over de financiële haalbaarheid van zijn opvangproject, op welke wijze hij zijn financiële verantwoordelijkheid opneemt en op welke wijze de beschikbare middelen worden ingezet in functie van de vergunningsvoorwaarden. Een deugdelijk financieel beleid is tevens belangrijk om een voldoende continuïteit in de werking te kunnen waarborgen. Kinderopvangvoorzieningen die snel al weer de deuren moeten sluiten omwille van financiële problemen, zetten gezinnen die op deze kinderopvang rekenen voor (vaak onverwachte) problemen.

8° inspraak en participatie van kinderen en gezinnen :

Gezinnen zijn en blijven de eerste opvoeders van het kind. Gezinnen en kinderopvang zijn partners in de opvoeding. Ouders zijn experts in hun kind en de opvang is expert in het opvangen van meerdere kinderen. Voor de start van de opvang de tijd en ruimte nemen om de gewoontes van het kind en zijn gezin te leren kennen, zal de overgang van thuis naar de opvang voor het kind gemakkelijker maken.
Kinderopvang is ook een ontmoetingsplaats voor alle gezinnen, met respect voor diversiteit tussen gezinnen en tussen kinderen. Een partnerschap met gezinnen uitbouwen impliceert voor de kinderopvang werken aan gelijkwaardigheid en wederkerigheid, en het mogelijk maken van een actieve participatie aan de opvang voor alle gezinnen.

9° de psychische en fysieke veiligheid en gezondheid :

De kinderopvangvoorziening zorgt voor de veiligheid van elk kind en neemt daartoe preventieve maatregelen.

De Vlaamse Regering zal concrete vergunningsvoorwaarden hierover bepalen. Deze zullen ondermeer gaan over volgende punten:
• registratie van informatie over aan- en afwezigheid van kinderen
• voeding
• het toezicht
• huisdieren in de opvang
• de gezondheid van de kinderen
• procedure voor gevaarsituaties
• verzekeringen
Er is ook een verband met de vereisten voor de begeleiders en de vorming, zoals bijvoorbeeld het met vrucht gevolgd hebben van een basisopleiding levensreddend handelen en EHBO. Zie ook supra bij 2°.

10° niet discriminatie van kinderen en gezinnen; bovendien mogen er geen voorwerpen of tekenen aanwezig zijn die blijk geven van discriminatie of die racistisch, xenofoob of onwettelijk zijn, in zoverre de aanwezige voorwerpen of tekenen van die aard zijn dat ze een nadelige invloed op kinderen kunnen hebben:

De algemene regel inzake niet-discriminatie wordt omwille van het grote belang in dit decreet expliciet ook voor kinderopvang benadrukt en meegenomen als uitdrukkelijke vergunningsvoorwaarde. Dit impliceert dat een kinderopvangvoorziening die schijnbaar conform alle vergunningsvoorwaarden werkt, maar veroordeeld wordt voor discriminatie, toch de intrekking van de vergunning riskeert. De toepassing van deze bepaling zal in de praktijk steeds een inschatting en beoordeling vergen. Bij deze inschatting zal ook niet enkel de materiële aanwezigheid van voorwerpen of tekenen een rol spelen, ook de gedragingen en de betekenis die er door de kinderopvangvoorziening worden aan verbonden.

11° de schriftelijke overeenkomst met de gezinnen en het huishoudelijk reglement:

Goede en duidelijke afspraken tussen de kinderopvangvoorziening en de gezinnen zijn een noodzakelijke basis voor een goede samenwerking, het vermijden van misverstanden en het uitklaren van eventuele meningsverschillen.
Zeker in de kinderopvang waar gezinnen een financiële bijdrage betalen, waar deze bijdrage een belangrijk deel van de inkomsten betekent en waar het principe ‘opvang bestellen, is opvang betalen’ doorgang zal vinden, is duidelijkheid essentieel.
Deze documenten zijn voor de Vlaamse overheid daarnaast ook elementen om op te kunnen terugvallen in geval van klachtbehandeling, en zijn ook een nuttige informatiebron in de beoordeling van de conformiteit van de werking met de vergunningsvoorwaarden.
Daarom wordt deze vereiste expliciet opgenomen in het decreet.

12° de ruimte bestemd voor kinderopvang, de uitrusting en de inrichting ervan:

Omwille van de veiligheid en om de algemene ontwikkeling van het kind te stimuleren, moet de uitrusting en de inrichting voldoen aan specifieke vereisten. Ook moeten er voldoende mogelijkheden zijn om het kind te laten rusten.
Er zullen onder meer ook bepalingen zijn over de nodige beschikbare binnenoppervlakte.

De Vlaamse Regering zal concrete normen met betrekking tot de infrastructuur vastleggen, meerbepaald welke ruimtes aanwezig moeten zijn (vb. keuken ruimte, rustruimte, sanitaire ruimte…) en aan welke voorwaarden deze ruimtes moeten voldoen (vb. verlichting, verluchting, inrichting…). De opvangruimtes zullen ook brandveilig moeten zijn, wat moet blijken uit een verslag van de brandweer. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere normen.

In deze context wordt een zo maximaal mogelijke afstemming voorzien tussen de infrastructuurnormen voor vergunning voor groepsopvang enerzijds, en anderzijds de infrastructurele normen waaraan moet worden voldaan in functie van de VIPA-subsidie, voor zover deze normen te maken hebben met minimaal vereisten in functie van een verantwoorde kinderopvangkwaliteit.

Paragraaf 2: specifieke voorwaarde voor alleenwerkende begeleiders:

In geval van gezinsopvang en van kinderopvang aan huis zal bovenop de andere competentievereisten een specifieke doorlichting nodig zijn alvorens een vergunning kan worden gegeven. Deze doorlichting focust op de draagkracht van de begeleider om in die context kinderopvang te doen. Dit is specifiek nodig omdat de begeleiders gezinsopvang en opvang aan huis steeds alleen instaan voor de opvang van zeer jonge kinderen. Dit vereist meer van de begeleider gezinsopvang en opvang aan huis dan van de begeleider groepsopvang die binnen de kinderopvangvoorziening in principe op andere aanwezige collega’s kan terugvallen. Deze specifieke voorwaarde is aldus verantwoord in functie van het recht van kinderen en gezinnen op een kwaliteitsvolle, veilige opvang.

De doorlichting zal moeten gebeuren door een organisatie die beantwoordt aan de kwalitatieve voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering.

De concretisering hiervan voor de begeleiders gezinsopvang is momenteel in ontwikkeling.

De controle en de beoordeling of de organisator op deze vestigingsplaats voor gezinsopvang aan alle vergunningsvoorwaarden voldoet, is vervolgens aan de toezichthouder (zie artikel 16), en aan Kind en Gezin dat ter zake de beslissing neemt.
In geval van een dienst voor gezinsopvang is deze als organisator ervoor verantwoordelijk dat alle voorwaarden voor de vergunning op deze vestigingsplaats in orde zijn. Een zelfstandige gezinsopvang die zelf de organisator van de gezinsopvang is, is er aldus zelf voor verantwoordelijk dat aan alle vergunningsvoorwaarden is voldaan.

Paragraaf 3: uitzondering voor de vergunning opvang aan huis

Omdat opvang aan huis doorgaat in de woning van het gezin zelf, kunnen aan de vergunning voor opvang aan huis geen infrastructurele voorwaarden worden verbonden. De infrastructuur is hier de verantwoordelijkheid van de gezinnen.
Wel kan opvang aan huis, bijvoorbeeld in het kader van de zorg voor de veiligheid, weigeren om de opvang te laten doorgaan wanneer er zich in de woning voor het kind of de begeleider onveilige situaties zouden voordoen.

Paragraaf 4: voorwaarden gelinkt aan de privacy:

Verder worden er een aantal zaken decretaal vastgelegd die, omdat ze zo concreet zijn, op het eerste zicht eerder zouden thuishoren op niveau besluit van de Vlaamse Regering. Ze moeten evenwel op decreetniveau verankerd worden, omdat ze sterk raken aan de grondwettelijke bescherming van de privacy: het uittreksel uit het strafregister en het attest van medische geschiktheid. Ook gelijkwaardige buitenlandse attesten komen in aanmerking.
Het vereisen van een verklaring van een arts inzake de medische geschiktheid van de kindbegeleider is verantwoord voor al diegenen die in de kinderopvang in direct contact komen met de opvangkinderen. Gezondheidsproblemen van psychische en of fysieke aard kunnen het goed functioneren van een kindbegeleider belemmeren, en kunnen bijgevolg een risicofactor zijn voor een kwaliteitsvolle kinderopvang, een bedreiging vormen voor de gezondheid van het kind of een goede ontwikkeling van het kind belemmeren.

Het vereisen van een uittreksel uit het strafregister model 2 voor alle personen ouder dan 18 jaar die in direct contact komen met de opgevangen kinderen is eveneens verantwoord. Deze vereiste geldt eveneens voor de organisator en de verantwoordelijke, ook als zij geen direct contact hebben met de opgevangen kinderen omdat het organiseren van en verantwoordelijk zijn voor aspecten van de werking van de kinderopvangvoorziening niet verenigbaar is met het kinderopvanggebeuren. Daarmee toont de organisator aan dat geen enkele persoon die bij de kinderopvang betrokken is veroordelingen als burger opliep die in strijd zijn met het kunnen uitoefenen van een activiteit die onder opvoeding, psychomedische - sociale begeleiding, hulpverlening aan de jeugd, kinderbescherming, animatie of begeleiding van minderjarigen valt.

Paragraaf 5: nadere voorwaarden door de Vlaamse Regering:

Voor de bepalingen in de vier paragrafen van dit artikel kan de Vlaamse Regering nadere regels bepalen.

Artikel 7

Naast de vergunningsvoorwaarden in artikel 6, wordt in dit artikel een samenwerkings- en informatieverplichting opgelegd. De samenwerking betreft hier in eerste instantie een coöperatieve houding, geen verplichting om deel uit te maken van een structureel samenwerkingsverband zoals bijvoorbeeld een CKO. De informatieplicht is hier bedoeld als het doorgeven van gegevens die nuttig en nodig zijn in functie van het Vlaams en het lokaal beleid kinderopvang.

De samenwerking met Kind en Gezin zal bestaan uit het doorgeven van bepaalde (administratieve) gegevens. Bedoeling is onder meer dat het informatie- en registratiesysteem beheerd door Kind en Gezin (zie artikel26) gevoed wordt, en dat daarmee ook aan beleidsmonitoring gedaan kan worden. Ook hier zullen de nadere voorwaarden vastgelegd worden door de Vlaamse Regering.
Daarnaast impliceert dit ook dat elke organisator de gegevens doorgeeft die nodig zijn in functie van het administratief dossier van de kinderopvangvoorziening, evenals het onverwijld doorgeven van elke wijziging van gegevens in functie van de bepalingen in artikels 5 en 6.

De samenwerking met het lokaal loket kinderopvang is noodzakelijk om de werking van dat lokale loket mogelijk te maken. Als de opvangvoorziening zich kan isoleren van de werking van dit lokaal loket kinderopvang, of steeds een afwijzende houding zou aannemen, dan is dit tevens nadelig voor de realisatie van een goed werkend en actueel informatiesysteem.

De samenwerking met het lokaal overleg kinderopvang is nodig opdat het lokaal overleg kinderopvang zijn adviesrol ten aanzien van het lokaal bestuur zou kunnen waarmaken. Elke kinderopvangvoorziening is verplicht hieraan mee te werken. Dit impliceert niet dat de kinderopvangvoorziening op elke bijeenkomst van het lokaal overleg kinderopvang zou moeten aanwezig zijn. Het gaat er in de eerste plaats om dat de voorziening zich kenbaar maakt bij het lokaal overleg kinderopvang, en dat de voorziening een kanaal heeft om met het lokaal overleg te communiceren onder meer om informatie door te geven die van belang is voor het lokaal beleid kinderopvang.

De Vlaamse Regering legt de nadere voorwaarden vast.

Hoofdstuk3. Subsidiëring.

Subsidies zijn het krachtigste middel om via het te subsidiëren aanbod rechten voor gezinnen te verwezenlijken.
Indien bepaalde kinderopvangvoorzieningen veel meer subsidies krijgen dan andere, moet dit verschil ook direct in relatie staan met de bijkomende opdrachten die deze kinderopvangvoorzieningen moeten uitvoeren voor de gezinnen.
Het subsidiesysteem moet beantwoorden aan de Europese regels inzake staatssteun, met als drie belangrijkste peilers de principes van de noodzakelijkheid (de subsidie is noodzakelijk om de ermee verbonden opdracht te kunnen uitvoeren), de gelijkheid (iedereen die in dezelfde omstandigheden is moet gelijke toegang hebben tot de subsidie) en evenredigheid (de hoogte van de subsidie is evenredig aan de kosten verbonden aan de opdracht ).

Het subsidiesysteem in dit decreet is trapsgewijs opgebouwd (artikels 8, 9 en 10). Elke vergunde opvangvoorziening heeft recht op de subsidie vermeld in artikel 8, een basissubsidie. Deze vergunde voorzieningen, die werken met de inkomensgerelateerde bijdrage kunnen daartoe een bijkomende subsidie ontvangen die deze opdracht op financiële leefbare wijze mogelijk maakt (artikel9). De voorzieningen die de subsidie in artikel 9 ontvangen, kunnen voor bijkomende opdrachten in functie van specifieke bijkomende kinderopvangopdrachten ter ondersteuning van kwetsbare gezinnen en ter bestrijding van kinderarmoede nog een bijkomende subsidie ontvangen (artikel 10).
Alle vergunde opvangvoorzieningen kunnen bovendien nog een extra bedrag ontvangen voor opdrachten inzake inclusieve of flexibele opvang, voor het opzetten van vernieuwende projecten en voor eenmalige specifieke opdrachten.

Artikel 8.

Aan het voldoen aan de vergunningsvoorwaarden zijn kosten verbonden voor de organisator. Deze zijn mogelijk niet allemaal te dekken via de bijdragen van de gezinnen. Daarom voorziet dit decreet een ondersteuning voor elke kinderopvang die een vergunning behaalt: de basissubsidie.

Het gaat om een tegemoetkoming in kosten, niet een volledige dekking van kosten. Deze subsidie staat open voor elke vergunde opvang, en is dus niet te programmeren, noch volgens een spreidingssleutel toe te kennen. De Vlaamse Regering kan wel de grenzen bepalen van het budget dat voor deze basissubsidie beschikbaar is.
De aanwending van de basissubsidie is niet specifiek te controleren, omdat er geen specifieke opdrachten aan verbonden worden. Het hebben van een vergunning volstaat.
Toch wordt deze basissubsidie niet automatisch toegekend, want voor sommige kinderopvangvoorzieningen kan het oninteressant zijn ze te ontvangen gezien men daardoor mogelijk in hoger fiscaal regime terechtkomt. De basissubsidie is daarom op enkelvoudige aanvraag te verkrijgen.

De hoogte van de basissubsidie is in een uitvoeringsbesluit te bepalen door de Vlaamse Regering binnen de beschikbare budgettaire ruimte. Gedacht wordt aan een basisbedrag per plaats per jaar. Om te vermijden dat vergunde plaatsen die in de feiten niet worden gebruikt toch een basissubsidie zouden krijgen, wordt tevens gedacht aan een regeling waarbij de voorziening jaarlijks het effectieve gebruik van de betrokken plaatsen moet aantonen.

Het decreet opteert ervoor deze basissubsidie niet te voorzien voor opvang aan huis.
Gezien de kostprijs van dergelijke opvang per kind hoe dan ook veel hoger ligt dan gezins- of groepsopvang, omwille van de loonkost van de vaak (bijna) per individueel kind ingezette kindbegeleider, is deze opvangvorm in de context van noodzakelijke budgettaire keuzes niet vanuit de overheid te stimuleren. Een basissubsidie zou echter wel een stimulerend gevolg kunnen hebben. Daarom wordt voor opvang aan huis enkel geopteerd voor een vergunningskader in functie van een opvangaanbod met gegarandeerde basiskwaliteit. Overigens veroorzaakt opvang aan huis ook minder kosten dan opvang buitenhuis (geen infrastructuur nodig, geen kosten voeding en verzorging, …).

Artikel 9.

Bovenop de basissubsidie kan een organisator met een vergunning voor gezinsopvang of een vergunning voor groepsopvang een subsidie ontvangen voor de realisatie van kinderopvang met een financiële bijdrage van het gezin op basis van het gezinsinkomen. Ook deze subsidie is niet mogelijk voor opvang aan huis.

De nadere voorwaarden worden bepaald door de Vlaamse Regering, zoals het bedrag van de subsidie en de eraan gelinkte subsidievoorwaarden.

Deze subsidievoorwaarden moeten minstens een voorrangsregeling bevatten. Bepaalde gezinnen hebben meer dan andere nood aan een plaats in zo’n kinderopvangvoorziening, en dit moet afdwingbaar gemaakt worden via een wettelijke voorrangsregeling. Deze voorrang zal zeker gegeven worden aan gezinnen die ten gevolge van het beschikken over kinderopvang kunnen instappen in de arbeidsmarkt en aldus tewerkstelling kunnen genieten.

Als bijkomende subsidievoorwaarden, te regelen bij uitvoeringsbesluit, wordt onder meer gedacht aan de vereiste dat de organisator een sociaal oogmerk moet hebben, dat de kinderopvangvoorziening moet openstaan voor alle kinderen en dat de kinderopvangvoorziening moet behoren tot een associatie van een bepaald minimum aantal plaatsen waardoor bepaalde aspecten van de werking op een bredere schaal kunnen worden georganiseerd, in functie van een efficiëntieverhogend en kostenbesparend effect.

Ook hier zal het gaan om een bedrag per plaats per jaar.

Artikel 10.

Bovenop de voorgaande subsidies kan een subsidie bekomen worden om specifieke opdrachten te realiseren die te maken hebben met kwetsbare gezinnen en bestrijding van kinderarmoede. De specifieke, bijkomende opdrachten op deze subsidietrap zijn aldus zeer expliciet gelinkt aan de sociale functie van de kinderopvang en de toegankelijkheid voor maatschappelijk kwetsbare gezinnen. Daarom ook is het nodig bijkomende voorrangsregels voor deze gezinnen in wetgeving vast te leggen, zodat er voldoende zekerheid is dat zij van dit aanbod kunnen gebruik maken.
De nadere regels en voorwaarden worden bepaald door de Vlaamse Regering, evenals de omschrijving van de opdrachten, het bedrag van de subsidie en de eraan gelinkte subsidievoorwaarden.

Een specifieke subsidievoorwaarde is dat kinderopvangvoorzieningen die deze subsidie genieten moeten samenwerken in functie van een opnamebeleid afgestemd op kwetsbare gezinnen. Deze samenwerking gebeurt tussen kinderopvangvoorzieningen die deze subsidie genieten onderling, en met het lokaal loket kinderopvang of de lokale loketten kinderopvang en moet de toegang voor maatschappelijk kwetsbare gezinnen tot deze opvang effectief verbeteren.

Ook hier zal het gaan om een bedrag per plaats per jaar.
Ook deze subsidie is niet mogelijk voor opvang aan huis.

Artikel 11.

Bovenop de basissubsidie of de andere voorgaande subsidies, kan de vergunde opvang een subsidie bekomen voor het volbrengen van specifieke opdrachten inzake:
1° flexibele opvang: dit is opvang op openingstijden die buiten de gangbare ‘standaard’ openingsuren en –dagen van de kinderopvang vallen. Dit impliceert dat deze standaardopeningstijden te definiëren zijn;
2° inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte;
dit is opvang van een kind dat door medische of psychosociale problemen meer intensieve zorgen nodig heeft, maar waarbij de zorgvraag van die aard is dat deze kan worden opgenomen door een ‘gewone’ opvangvoorziening waar ook kinderen zonder dergelijke specifieke zorgvragen opgevangen worden. De inclusieve opvang is te onderscheiden van de exclusieve opvang van kinderen met een handicap, die niet onder het toepassingsgebied van dit decreet valt (zie artikel 2, §2, 2°).
De wijze waarop de inclusieve opvang binnen de uitvoeringsbesluiten vorm krijgt is af te stemmen op het beleid van de Vlaamse Regering inzake de zorg voor personen met een handicap , waarin het beleid inzake inclusie en de verbinding ter zake met andere beleidsdomeinen zoals de kinderopvang een belangrijke plaats inneemt.

3° het opzetten van vernieuwende projecten;
dit zijn initiatieven van de Vlaamse overheid om, binnen de algemene regels van het decreet, vernieuwende vormen of werkwijzen in de kinderopvang uit te proberen. Daarbij is van belang dat zonder deze subsidie het voor deze projecten niet mogelijk is het vernieuwende opzet te realiseren en naar meerwaarde en beperkingen te evalueren.

4° éénmalige financiële ondersteuning van specifieke opdrachten.
Het gaat om duidelijke en naar specifieke finaliteit door de Vlaamse overheid omschreven opdrachten waartoe een eenmalige financiële ondersteuning kan worden gegeven. Zoals bijvoorbeeld in het verleden een premie voor toegangsbeveiliging werd gegeven aan alle opvangvoorzieningen.

De Vlaamse Regering bepaalt de concrete inhoud van de opdrachten in elk van deze subsidiemodules in artikel 11, evenals de eraan gelinkte subsidievoorwaarden.

Artikel 12.

De Vlaamse Regering kan een subsidie toekennen aan de initiatiefnemer of de structuur die de organisatie van een lokaal loket kinderopvang op zich neemt, om de opdrachten vaan dat loket, vermeld in artikel 14, te kunnen waarmaken.

Tevens kan de Vlaamse Regering beslissen om een subsidie toe te kennen aan de organisator met een vergunning voor opvang aan huis. Dit kan noodzakelijk zijn onder meer voor kinderopvangvoorzieningen met een aanbod voor thuisopvang voor zieke kinderen. Anders zouden, wanneer de FCUD-gelden zouden worden overgeheveld naar de Vlaamse Gemeenschap, de diensten die vandaag vanuit het FCUD een subsidie ontvangen voor thuisopvang van zieke kinderen, geen subsidies meer kunnen ontvangen.

Artikel 13.

In functie van het ondersteunen van de leefbaarheid van het organiseren van kinderopvang kan de Vlaamse Regering een systeem ontwikkelen dat voorziet in overbruggingssubsidie voor groepsopvang of gezinsopvang die, bijvoorbeeld wanneer men kan aantonen zware financiële moeilijkheden te hebben of naar aanleiding van overmachtsituaties zoals brand, tegemoetkomt aan kosten die noodzakelijk zijn om de continuïteit van de werking als vergunde kinderopvangvoorziening te kunnen blijven verzekeren.
Het verschil met de subsidies in de voorgaande artikelen is tweeledig:
-de afbakening is beperkt tot voorzieningen in nood, los van opdrachten gelinkt aan de subsidies in voorgaande artikelen;
-het betreft een terug te betalen subsidie, in de feiten een soort van krediet.
Dergelijk systeem dient dan wel te beantwoorden aan de Europese regels inzake overheidssteun, zodat de principes van de gelijkheid tussen de opvangvoorzieningen, de noodzakelijkheid van de subsidie en de evenredigheid van het voordeel dat deze subsidie oplevert worden gerespecteerd.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden.

Hoofdstuk 4. Lokale opdrachten.

Artikel 14.

Om de zoektocht naar kinderopvang te vergemakkelijken voor de gezinnen, en aldus de toegankelijkheid tot kinderopvang te verbeteren, worden er lokale loketten kinderopvang opgericht.

De opdrachten voor de lokale loketten worden decretaal vastgelegd, en zijn vierledig:
1° Het coördineren van de registratie van vragen naar kinderopvangplaatsen. Door één centrale registratie te voorzien, kan vermeden worden dat gezinnen hun opvangvraag verschillende keren moeten stellen, hetgeen tot nu toe wel het geval was. Bovendien zal uit deze registratie interessante beleidsinformatie volgen. Daarom is het aangewezen dat elke opvangvraag, ook deze die niet via het lokaal loket zou worden gesteld of worden opgelost, wordt geregistreerd.
Kind en Gezin zal, onder andere met het oog op deze opdracht, voorzien in een overkoepelend digitaal informatie- en registratiesysteem (zie artikel 28), dat alle lokale loketten kinderopvang en kinderopvangvoorzieningen toelaat de nodige informatie eenduidig te registreren, en dat elk lokaal loket zal toelaten over de nodige gegevens te beschikken om de opdrachten te kunnen uitvoeren. Elk lokaal loket zal met dit systeem aan de slag moeten gaan.

2° Informeren van de gezinnen over vrije opvangplaatsen. Een lokaal loket moet de zoektocht van gezinnen vergemakkelijken doordat zij de gezinnen en kinderopvangvoorzieningen met vrije plaatsen binnen een redelijke termijn in contact brengen met elkaar. Het lokaal loket moet er steeds naar streven een aanbod te vinden dat zo maximaal mogelijk aansluit bij de vraag van het gezin. Deze laatste opdracht zal uiteraard pas optimaal uitgevoerd kunnen worden, wanneer het beschikbare aanbod in verhouding staat tot de behoefte aan kinderopvang. Belangrijke aanvulling in deze bepaling is de aandacht hierbij voor de meest kwetsbare gezinnen. Uit onderzoek blijkt immers dat precies deze groep het vaakst achter het net vist in de zoektocht naar opvangplaatsen. Het lokaal loket zal zijn ondersteuning zeker moeten aanbieden aan gezinnen die nergens plaats vinden en geen ander eenduidig aanspreek- en steunpunt hebben in hun zoektocht. Binnen een redelijke termijn, te bepalen door de Vlaamse Regering, moet aan deze gezinnen een beschikbaar aanbod kunnen worden voorgesteld. Het respect voor de keuzevrijheid van het gezin om een aanbod wel of niet te aanvaarden staat hierbij voorop. Het lokaal loket hoeft geen opdracht op te nemen ten aanzien van gezinnen die zelf een opvangplaats hebben gevonden.

3° Het lokaal loket kinderopvang zal actief investeren in het uitbouwen van een netwerk met de kinderopvangvoorzieningen en organisaties en instanties die werken met (vaak minder kansrijke) personen /gezinnen met jonge kinderen en die mogelijk een behoefte aan kinderopvang kunnen hebben (sociale diensten, welzijnsorganisaties, VDAB, OCMW,…). Het lokaal loket moet bij de twee hoger vermelde taken immers bijzondere aandacht hebben voor de maatschappelijk meest kwetsbare gezinnen, om actief bij te dragen aan het doorbreken van het Matteuseffect in de kinderopvang. Hiervoor is het van belang dat deze vragen voldoende tijdig in beeld komen, zodat ook voor deze gezinnen de toegankelijkheid van de kinderopvang zo concreet mogelijk wordt. Het lokaal loket kan in die zin ook een actieve ondersteuning bieden aan kinderopvangvoorzieningen in functie van het kunnen realiseren van de in de regelgeving opgelegde voorrangsregels.

4° Bundelen van beschikbare informatie over de realiteit inzake vraag en aanbod in functie van informatie en advies aan de actoren die betrokken zijn op het lokaal beleid kinderopvang, met name aan Kind en Gezin, de kinderopvangvoorzieningen en de lokale besturen. Op die manier kan de vraag binnen de gemeente/regio afgestemd worden op het aanbod.

Een lokaal loket kinderopvang is lokaal georganiseerd, in die zin dat in elke gemeente 1 lokaal loket aanwezig moet zijn. Samenwerking tussen verschillende gemeenten is mogelijk, binnen de grenzen van de zorgregio’s niveau kleine stad. De reden van deze afbakening is het feit dat ook programmatie van subsidiëring binnen die grenzen wordt afgebakend. Omwille van de afspraken in het kader van de interne staatshervorming zou in het decreet kinderopvang niet verwijzen naar de zorgregio kunnen leiden tot samenwerkingen die de verrommeling van bestuurlijke niveau’s in de hand werken. Hoe dan ook is het belangrijk dat ook binnen de zorgregio het lokaal loket voldoende nabij aanspreekbaar is voor elk gezin met een opvangbehoefte.

Het is essentieel dat het lokaal loket een transparante en neutrale werking kan waarborgen, zowel ten aanzien van de gezinnen als ten aanzien van de kinderopvangvoorzieningen. Bij het opzetten van het lokaal loket zal daar zeer bijzondere aandacht voor moeten zijn, en zullen duidelijke, transparante afspraken gemaakt moeten worden die elke kinderopvangvoorziening een volwaardige positie in het netwerk geven. De Vlaamse Regering kan ook op dit punten een aantal criteria vastleggen waaraan moet worden voldaan om deze neutraliteit te waarborgen.

Hoofdstuk 5. Vernieuwende projecten

Artikel 15.

Dit artikel biedt een juridische basis voor het ontwikkelen van vernieuwende projecten inzake kinderopvang, die voortdurende vernieuwing en optimalisatie van het kinderopvanglandschap mogelijk maken.

Het moet gaan om projecten rond ‘kinderopvang’. Dit wordt ruim omschreven zodat allerhande vernieuwingsvoorstellen vorm kunnen krijgen. Zo kan het gaan om een nieuwe soort vergunningsvoorwaarde, een nieuwe soort sanctionering, ….

Onder het hoofdstuk ‘subsidiëring’ , artikel 11,3°, is een mogelijkheid tot subsidiëring van dergelijke projecten voorzien, te beslissen door de Vlaamse Regering.

Eens projecten, zoals georganiseerd door de Vlaamse Regering, positief geëvalueerd worden en ervoor geopteerd wordt ze structureel in het landschap in te passen, zal de regelgeving moeten aangepast worden.

Hoofdstuk 6. Handhaving

Afdeling 1: toezicht

Alle voorwaarden die het decreet en zijn uitvoeringsbesluiten oplegt moeten gehandhaafd kunnen worden .

Het zou aangewezen zijn hiertoe te kunnen beschikken over algemeen geldende handhavingsregels voor alle welzijnsvoorzieningen. Dergelijke regels zouden decretaal vast te leggen zijn. Omdat dergelijk decreet op vandaag niet bestaat, is het noodzakelijk ze alvast voor vergunning en subsidiëring in de kinderopvang vast te leggen. Daarom worden ze nu opgenomen in dit decreet. Indien er op termijn een afzonderlijk decreet inzake handhaving voor de welzijnsvoorzieningen zou komen, zou dit hoofdstuk in het decreet kinderopvang kunnen worden beperkt tot een verwijzing ernaar. Op vandaag is dit evenwel nog niet mogelijk.

De vergunningsplicht, met de eraan gekoppelde voorwaarden, impliceert dat geen kinderopvang kan worden georganiseerd zonder aan (al) die vergunningsvoorwaarden te voldoen.
Subsidie wordt toegekend om bepaalde opdrachten te realiseren, waarvan de realisatie zonder deze subsidie niet mogelijk zou zijn geweest. Wanneer een kinderopvangvoorziening subsidie krijgt, moet die subsidie dus verplicht worden aangewend voor een bepaald doel, zijnde de realisatie van die opdrachten.

Wanneer vergunningsvoorwaarden of subsidievoorwaarden niet worden nageleefd, zal er steeds een aanmaning gegeven worden door Kind en Gezin om de kinderopvangvoorziening de kans te geven zich in orde te stellen met de voorwaarden.

Wanneer daar niet tijdig gevolg aan wordt gegeven, zal Kind en Gezin maatregelen kunnen nemen m.b.t. de vergunning of m.b.t. de subsidie. Het decreet biedt een waaier aan mogelijke maatregelen (opheffing, intrekking, schorsing,…).

Intrekking van de vergunning impliceert de sluiting van de kinderopvangvoorziening. Een niet vergunde kinderopvangvoorziening zal ook tot sluiting bevolen worden. Indien nodig kan daarvoor de bijstand van de burgemeester gevorderd worden.

In bepaalde gevallen kan Kind en Gezin meer doen dan ingrijpen op niveau van vergunning en/of subsidiëring, en een administratieve geldboete opleggen.

Onderafdeling 1: toezichthouders

Artikel 16.

Een doorgedreven toezicht op kinderopvangvoorzieningen, ongeacht de vorm van de voorziening, is uitermate belangrijk. Het is immers niet mogelijk de bepalingen van het decreet en zijn uitvoeringsbesluiten te handhaven indien inbreuken onopgemerkt blijven. Toezicht vervult eveneens een belangrijke preventieve functie: het feit dat er wordt toegezien op de naleving van rechtsregels, werkt hun naleving in de hand.

De Vlaamse Regering behoudt haar prerogatief om de bestuurlijke organisatie vorm te geven, en te bepalen wie bevoegd is om de inspecties uit te voeren, wat aansluit bij dedefinitie van toezichthouder zoals opgenomen in artikel 2, 10°.

Dit artikel regelt de dat de Vlaamse Regering één of meerdere toezichthouders aanduidt en machtigt. Eén of meerdere impliceert dat in elk geval Zorginspectie zal aangeduid zijn, maar dat de Vlaamse Regering daarnaast de mogelijkheid heeft eventueel ook (een) andere toezichthouder(s) aan te duiden voor het toezicht ter plaatse. De toezichthouder duidt op zijn beurt de personen aan die namens de toezichthouder het toezicht uitoefenen.

Kind en Gezin wordt niet gezien als een toezichthouder omdat Kind en Gezin geen vaststellingen ter plaatse doet. De toezichthouder adviseert Kind en Gezin op basis van zijn vaststellingen over de naleving van de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten in functie van een beslissing van Kind en Gezin met betrekking tot vergunning en/of subsidiëring. Kind en Gezin kan met het oog op deze beslissing wel steeds ook zelf stukken opvragen bij de organisator.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure voor de aanduiding van de toezichthouder; de voorwaarden waaraan de toezichtpersoon die wordt aangesteld door de toezichthouder moet voldoen, de opdrachten van de toezichthouder en de wijze waarop de goede werking van de toezichthouder wordt gecontroleerd.

Indien er toezichthouders buiten Zorginspectie en Kind en Gezin worden aangeduid, moet er een heldere en logische taakafbakening zijn, en moet er hoe dan ook met Zorginspectie samengewerkt worden in functie van een goed afgestemde en zoveel mogelijk gestandaardiseerde controlemethodiek.

Het decreet legt de toezichtpersonen verder de verplichting op tot het dragen van een legitimatiebewijs, dat op vraag moet worden getoond. De kenmerken van en de vermeldingen op het legitimatiebewijs en de geldigheidsduur ervan, is dit reeds op uniforme wijze geregeld door een besluit van de Vlaamse Regering voor alle personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid die onder het toepassingsgebied van het Besluit Rechtspositie Vlaams Overheidspersoneel vallen en die belast zijn met inspectie – of controlebevoegdheden, waaronder ook de inspecteurs van Zorginspectie. De bevoegdheid om de kenmerken en de inhoud van het legitimatiebewijs van eventuele andere toezichthouders verder uit te werken wordt toegekend aan de Vlaamse Regering.

Gezien de verregaande strekking van de toezichtrechten, is het geen onoverbodige luxe dat ten aanzien van de kinderopvangvoorzieningen garanties geboden worden dat niet iedereen zich kan voordoen als toezichthouder.

Onderafdeling 2: toezichtrechten

Artikel 17.

Dit artikel regelt de toezichtrechten.

Ter uitvoering van zijn opdrachten kan een toezichthouder doen wat Jan Modaal kan. Maar om een doelmatig toezicht uit te oefenen is echter meer vereist, en daartoe zijn toezichtrechten nodig. Gezien toezichtrechten evenwel een inmenging inhouden van eigendomsrechten, recht op privé-leven, eventueel andere grondrechten, worden toezichtrechten decretaal bepaald, en moeten ze strikt geïnterpreteerd worden.

De algemene beginselen van behoorlijk bestuur moeten geëerbiedigd worden, o.m. het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Gezien het belang daarvan wordt ervoor geopteerd om dit expliciet te verankeren in het decreet kinderopvang.

Wat het toezicht op de regelgeving kinderopvang betreft worden volgende toezichtrechten vastgelegd:

1° recht op toegang:

Dit impliceert het recht op betreding, dus niet het recht op doorzoeking. Het recht op toegang machtigt niet tot het openen van kasten, laden en andere bergplaatsen.
Dit toezichtrecht kan te allen tijde, dus zowel overdag als ’s nachts en op alle dagen (zelfs feestdagen). Het is niet nodig om de kinderopvangvoorziening vooraf te verwittigen. Elke plaats van de kinderopvangvoorziening mag betreden worden, dus dat is zeer ruim.
Weliswaar is het volledige toegangsrecht beperkt tot plaatsen en uren die met de toezichtopdracht verband houden. Bovendien geldt bovenvernoemde eerbiediging van het proportionaliteits- en finaliteitsbeginsel.

Gezien de grondwettelijke bescherming van de woning, die versterkt wordt door het grondrecht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven opgenomen in het EVRM en het BUPO, is voorzichtigheid aangewezen wat betreft de toegang tot ‘woningen’ in het kader van inspectie in de kinderopvang. Hier moet bijzondere aandacht aan gegeven worden in het decreet. Een inspectie van kinderopvang die plaatsvindt in de privé-woning kan echter niet anders dan gebeuren in die privé-woning zelf, aangezien infrastructurele elementen vervat zijn in de vergunningsvoorwaarden, aangezien de kinderen op die plaats worden opgevangen en daar met hen wordt omgegaan.
De voorafgaande en schriftelijke toestemming van de bewoners is essentieel om een toegangsrecht tot de woning te kunnen hebben. Kinderopvang die in privé-woningen plaatsvindt zal op voorhand duidelijk ingelicht worden dat de privé-woning gecontroleerd zal moeten worden. Via de aanvraag voor een vergunning zal daartoe expliciet gevraagd worden om toestemming te geven met het toezicht in de woning. Bij opvang aan huis zal dit ook expliciet worden voorzien. Zo worden de grondrechten gerespecteerd en verzoend met de noodzaak aan inspectie op die plaatsen.

2° recht op inzage en kopie van documenten en informatiedragers:

Inzage impliceert het recht ‘te doen voorleggen’, dus niet het recht op doorzoeking. Dit recht machtigt niet tot het openen van kasten, laden en andere bergplaatsen.

De term ‘documenten’ verwijst naar gegevensbestanden die in papieren vorm zijn vastgelegd. De term ‘informatiedragers’ betreft alle gegevensbestanden buiten de klassieke papieren omgeving: elektronische gegevensbestanden in PC’s, iPhones, Blackberries, video’s, dvd’s, enz.

Een schriftelijk bewijs met inventaris, wanneer documenten of informatiedragers worden meegenomen of behouden door de toezichthouder, heeft tot doel misverstanden te vermijden over welke stukken precies meegenomen of behouden werden.

Wanneer de inspecteurs, gebruik makend van hun recht op inzage, documenten of informatiedragers willen inkijken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen, moet uiteraard rekening gehouden worden met enerzijds de privacybescherming uit het EVRM en de Grondwet, en anderzijds de beperkende voorwaarden waaronder de verwerking van persoonsgegevens mogelijk is, zoals bepaald door de Wet Verwerking Persoonsgegevens. Op basis van deze wet is verwerking toegelaten indien dit noodzakelijk is om een decretale verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke voor de verwerking is onderworpen of voor de vervulling van een taak van openbaar belang die is opgedragen aan de verantwoordelijke voor de verwerking of aan de derde aan wie de gegevens worden verstrekt of nog indien de verwerking een zwaarder doorwegend legitiem belang dient. Bovendien geldt bovenvernoemde eerbiediging van het proportionaliteits- en finaliteitsbeginsel.

3° recht op het doen van vaststellingen met behulp van audiovisuele middelen:

Het kan voor inspectie zeer handig zijn om de vaststellingen die ze ter plaatse doet te kunnen vastleggen op foto’s, video, geluidsdrager, enz. Vanzelfsprekend geldt ook hier bovenvernoemde eerbiediging van het proportionaliteits- en finaliteitsbeginsel. Hierbij moet rekening gehouden worden met enerzijds de privacybescherming uit het EVRM en de Grondwet, en anderzijds de beperkende voorwaarden waaronder de verwerking van persoonsgegevens mogelijk is, zoals bepaald door de Wet Verwerking Persoonsgegevens.

4° recht van onderzoek van zaken:

Het recht van onderzoek van zaken omvat het recht om op te meten, maar kan ook andere zaken omvatten, zoals monsterneming, analyse,… Ook hier geldt uiteraard bovenvernoemde eerbiediging van het proportionaliteits- en finaliteitsbeginsel.

5° recht om bijstand van de politie te vorderen:

Het kan nuttig zijn voor de toezichthouders om de bijstand van de politie te vorderen. Het decreet biedt de grondslag voor die mogelijkheid.

Artikel 18.

Dit artikel regelt de bewijswaarde van het inspectieverslag en de informatiedoorstroming.
Om geen eindeloze discussie te hebben over de werkelijkheid van de vaststellingen van de toezichthouders, wordt aan hun verslag de bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel toegeschreven. Zonder dergelijke bepaling zou het verslag geen specifieke bewijswaarde hebben en zou het “woord-tegen-woord” zijn bij discussie over bepaalde vaststellingen van de toezichthouder. Door deze hogere bewijswaarde, ligt de bewijslast bij de kinderopvangvoorziening om bewijs te leveren van hun beweringen rond de vaststellingen van de toezichthouder indien zij de vaststellingen zouden betwisten. De organisator heeft de mogelijkheid opmerkingen bij het verslag te formuleren, waarin hij eveneens het bewijs van het tegendeel kan leveren.

Elk inspectieverslag wordt aan Kind en Gezin bezorgd, zodat verdere stappen kunnen ondernomen worden, indien nodig. Om goed functionerende opvangvoorzieningen, die beantwoorden aan de gestelde voorwaarden, in hun goede werking te bevestigen, geeft Kind en Gezin ook de positieve feedback aan de voorziening dat werking conform de regelgeving verloopt.

Afdeling 2: aanmaning

Artikel 19.

Voor de handhaving van de regelgeving kinderopvang is ervoor gekozen om de nadruk te leggen op aanmaningen. Het versturen van aanmaningen en het stipt opvolgen van de voorwaarden die hierin zijn opgenomen, zijn zeer effectief.

Bij elke vaststelling van inbreuk is het geven van een aanmaning dan ook verplicht. Enkel wanneer er dringende maatregelen nodig zijn, kan van deze verplichting worden afgestapt. Dit zal gemotiveerd moeten worden.

De aanmaning zal gegeven worden door Kind en Gezin.

Afdeling 3: Bestuurlijke maatregelen

Artikel 20.

Verder is ervoor gekozen om bestuursrechtelijke, probleemverhelpende maatregelen te voorzien, waarbij de afhandeling gebeurt door Kind en Gezin.

Er is gekozen voor een bevoegdheidstoewijzing met facultatieve bevoegdheidsuitoefening. Kind en Gezin krijgt dus de vrijheid en verantwoordelijkheid om te beslissen of het de betrokken bevoegdheid uitoefent of niet. Kind en Gezin zal interne richtlijnen ontwikkelen zodat vergelijkbare gevallen steeds op vergelijkbare wijze behandeld zullen worden. Elke beslissing zal gemotiveerd zijn.

De nadere voorwaarden die door de Vlaamse Regering te bepalen zijn, bevatten o.m. de procedure tot opleggen van maatregelen, bezwaarmogelijkheid voor de kinderopvangvoorziening.

Artikel 21.

Het gevolg van het vergunningsstelsel dat met dit decreet wordt ingevoerd is dat er niet aan kinderopvang kan gedaan worden zonder vergunning. Wanneer met andere woorden een vergunning wordt ingetrokken of opgeheven, zal deze kinderopvangvoorziening haar activiteiten moeten stopzetten en de voorziening sluiten. Dit is de meest verregaande handhavingsmaatregel, die zal opgelegd worden wanneer de concrete omstandigheden hiertoe aanleiding geven. De sluiting van de kinderopvangvoorziening kan noodzakelijk zijn, in het belang van de opgevangen kinderen en hun gezinnen.

Daarnaast zullen ook organisaties die zonder een vergunning met kinderopvang starten en blijvend nalaten een vergunning aan te vragen, gesloten worden.

Tevens zullen opvangvoorzieningen waarvan de vergunning geschorst wordt, bijvoorbeeld in geval van ernstige feiten waarvoor ook de opvangvoorziening verantwoordelijk kan zijn, zonder dat daar evenwel zekerheid over bestaat, de werking tijdelijk moeten opschorten.

Om de voorziening toe te laten de werking stop te zetten zonder de kinderen stante pede op straat moeten zetten, dient de sluiting of de opschorting pas de dag na de beslissing ter zake te worden opgevolgd. De burgemeester van de betrokken gemeente wordt hierover ingelicht, zodat hij kan laten nagaan of de beslissing wordt nageleefd. Hij informeert Kind en Gezin van de gedane vaststellingen.

De nadere voorwaarden bevatten o.m. de procedure om een bezwaar in te dienen.

Artikel 22.

Wanneer de sluiting of de opschorting niet wordt nageleefd kan Kind en Gezin de burgemeester schriftelijk verzoeken tussen te komen en de beslissing tot sluiting of opschorting van de werking af te dwingen. Dit op kosten en risico van de organisator.
De nadere voorwaarden bevatten om de procedure.

De bevoegdheid van de burgemeester geldt onverminderd de bevoegdheid die de burgemeester heeft ingevolge de nieuwe Gemeentewet.

Afdeling 4: Bestuurlijke geldboete

Artikel 23.

Een bestuurlijke geldboete kan opgelegd worden binnen een vork van 100 euro tot 100.000 euro.

Het gaat om dezelfde bedragen als in het kwaliteitsdecreet zijn opgenomen. Het is aangewezen een voldoende ruime vork te voorzien zodat voor elk specifiek geval de optimale boete kan bepaald worden, naargelang de ernst van de schendingen.

Het opleggen van de boete geldt met behoud van de toepassing van artikel 20. Het is met andere woorden mogelijk om een boete op te leggen bovenop een maatregel uit artikel 20.

Het recht om te worden gehoord is gestoeld op het beginsel van openbaar bestuur dat niemand kan getroffen worden door een maatregel die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die zijn belangen zwaar aantast, zonder dat hem de mogelijkheid wordt geboden om zijn standpunt op een nuttige wijze te doen kennen

De rechtbank van eerste aanleg wordt aangeduid om in beroep uitspraak te doen over administratieve geldboetes.

Tot slot bepaalt dit artikel de wijze waarop wordt opgetreden wanneer een kinderopvangvoorziening weigert de boete te betalen.
De invordering van de administratieve geldboete kan door de Vlaamse Regering toevertrouwd worden aan de Centrale invorderingscel van de Vlaamse Belastingsdienst. Deze cel is daartoe bevoegd ingevolge het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en de instellingen die eronder ressorteren. Deze dienst heeft hiervoor de nodige expertise.

De inning van de geldboete verjaart in elk geval na verloop van 5 jaar. Dit is voldoende tijd voor de administratie om tot inning over te kunnen gaan enerzijds, anderzijds biedt dit aan de rechtsonderhorige voldoende rechtszekerheid.
De verjaring begint te lopen vanaf de beslissing van Kind en Gezin. Wanneer beroep aangetekend wordt, begint de termijn pas te lopen vanaf het ogenblik dat de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde gegaan is. Dit betekent dat de rechterlijke beslissing definitief is en geen beroep meer mogelijk is omdat de beroepstermijnen verlopen zijn.

Nadere voorwaarden mbt opleggen en het betalen van de boete en van de ambtenaren die uitvoeren worden door de Vlaamse Regering bepaald.

Hoofdstuk 7. Gegevensverzameling en –verwerking

Artikel 24.

De Vlaamse Regering bepaalt welke persoonsgegevens worden verzameld en verwerkt inzake de voorschoolse kinderopvang, geregeld door dit decreet en haar uitvoeringsbesluiten.

Hierbij wordt onder andere gedacht aan de gegevensverzameling voor de organisatie van het elektronisch registratie- en informatiesysteem kinderopvang, het lokaal loket kinderopvang en de gegevens die nodig zijn voor beleidsmonitoring (vergunning, subsidiëring, …).

Deze gegevensverzameling en –verwerking moet gebeuren overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Deze wet strekt ertoe de privacy te beschermen bij het beheer en de verwerking van persoonsgegevens.

Daarom ook dient over dit decreet en haar uitvoeringsbesluiten het advies te worden gevraagd van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer (de zgn. Privacycommissie).

Hoofdstuk 8. Wijzigings-overgangs- en slotbepalingen

Artikel 25 tot en met 27.

Het kwaliteitsdecreet moet aangepast worden zodat het van toepassing zal zijn op alle vergunde kinderopvangvoorzieningen, niet meer –zoals daarvoor- op enkel de ‘erkende’ welzijnsvoorzieningen.
Hierdoor zal de hele kinderopvangsector op een zelfde manier moeten omgaan met een kwaliteitsbeleid.

Artikel 28 tot en met 32.

Aangezien dit decreet de basis vormt voor heel de regelgeving voor de voorschoolse kinderopvang, moet het Kind en Gezin-decreet aangepast worden.

Enerzijds moet het Kind en Gezin-decreet uitgezuiverd worden wat de voorschoolse kinderopvang betreft, zodat er geen dubbele of zelfs tegenstrijdige decretale bepalingen zijn (bijvoorbeeld er kan geen meldingsplicht meer zijn voor voorschoolse kinderopvang zoals opgenomen in het Kind en Gezin-decreet) en zodat de rechtsgrond voor alle uitvoeringsbesluiten duidelijk is.

Anderzijds moet de rechtsgrond voor buitenschoolse kinderopvang in het Kind en Gezin-decreet behouden blijven (dus specificeren naar buitenschoolse kinderopvang toe).
De regelgeving voor de buitenschoolse kinderopvang zal dan bestaan uit het Kind en Gezin-decreet en één nieuw, gecoördineerd uitvoeringsbesluit, dat o.m. de meldingsplicht bevat en alle huidige voorwaarden en subsidiemogelijkheden bundelt.

Gemengde voorzieningen zullen mogelijk zijn, en zullen voor hun voorschoolse opvang onderworpen zijn aan het decreet houdende de organisatie van de voorschoolse kinderopvang, en voor hun buitenschoolse opvang zullen ze onderworpen zijn aan Kind en Gezin-decreet/uitvoeringsbesluit.

Volgende besluiten moeten aangepast/opgeheven worden, en desgevallend geïntegreerd binnen een nieuw BVR Buitenschoolse Kinderopvang::
-BVR 23/2/2001 KDV, DVO -BVR 23/2/2001 IBO -BVR 30/04/2009 IKG -BVR 30/4/2009 GMV -BVR lokale diensten -MB inclusieve opvang

In het Kind en Gezin-decreet zal concreet de opsomming van de taken van Kind en Gezin bij de regie van de kinderopvang aangepast worden.

§1. Het Kind en Gezin-decreet zal rechtsgrond moeten bieden voor een aantal taken.
Wat betreft de kernopdracht van Kind en Gezin inzake de regie van de kinderopvang, worden volgende opdrachten vooropgesteld:

Informatie- en registratiesysteem
Kind en Gezin zal een digitaal informatie- en registratiesysteem moeten beheren dat uitgebreide informatie zal bevatten in verband met de kinderopvangsector.
Enerzijds betreft het informatie over de vraag en het aanbod in de sector. Daarnaast zal dit informatie- en registratiesysteem informatie bundelen in verband met het gebruik en de subsidiëring van de kinderopvangvoorzieningen. Dit is specifieke informatie waarmee Kind en Gezin bezettingsevaluaties kan uitvoeren, subsidiëring berekenen, enz.

De Vlaamse Regering zal bepalen welke gegevens het systeem zal bevatten, en hoe Kind en Gezin ermee zal omgaan. Kind en Gezin levert het digitaal systeem, en heeft de verantwoordelijkheid om de informatie erin te actualiseren, in die zin dat alle informatie rond stopzetting of toekennen van vergunningen in het systeem moet zijn opgenomen. Wanneer een kinderopvangvoorziening zijn werking schorst of stopzet, moet het systeem aangepast worden. Wanneer Kind en Gezin een sanctie neemt waardoor een kinderopvangvoorziening geschorst wordt of de vergunning ingetrokken wordt, moet het systeem aangepast worden.

Daarnaast hebben de kinderopvangvoorzieningen en het lokaal loket de verantwoordelijkheid om de informatie in verband met de vraag en het aanbod naar kinderopvang te actualiseren.

Via het digitale informatiesysteem zullen gezinnen, toeleiders, voorzieningen en het lokaal loket (zie artikel 14) kinderopvangvragen formeel en éénduidig kunnen registreren, en zullen kinderopvangvoorzieningen kunnen inbrengen hoeveel opvangplaatsen beschikbaar zijn vanaf welke datum, in functie van een zo optimaal mogelijke matching tussen vraag en aanbod. Dit Vlaamse informatie- en registratiesysteem zal het lokaal loket ondersteunen in de trajectbegeleiding van gezinnen met opvangvragen en zal ook mogelijk maken om beleidsinformatie inzake de geregistreerde opvangvragen te genereren, geanonimiseerd, gesystematiseerd en geclusterd naar aard en regio.

Kind en Gezin staat in voor de ontwikkeling van dit informatie- en registratiesysteem, voor het bepalen wie welke noodzakelijke input moet leveren, welke de nodige functionaliteiten zijn, welke de toegangsmogelijkheden voor welke groepen zijn, voor het beheer en het onderhoud van het systeem, en voor het genereren van de beleidsinformatie.

Stimuleren, toelaten en subsidiëren van kinderopvangvoorzieningen
Kind en Gezin zal op basis van stukken, inspectieverslagen enz. beslissingen moeten nemen over vergunningen. Kinderopvangvoorzieningen die willen starten zullen zich met andere woorden tot Kind en Gezin moeten richten om een vergunning aan te vragen. Kind en Gezin kan maatregelen nemen om de uitbreiding van kinderopvang te stimuleren. De subsidiëring van kinderopvangvoorzieningen gebeurt eveneens door Kind en Gezin.

Bevordering van de kwaliteit van kinderopvangvoorzieningen
Kind en Gezin houdt systematisch de laatste wetenschappelijke aanbevelingen bij op het vlak van kwalitatieve en pedagogische omgang met kinderen en zal deze informatie kenbaar maken in de sector. Het naleven van de vergunningsvoorwaarden zal een garantie bieden op basiskwaliteit en veiligheid. Kind en Gezin zal echter op andere manieren trachten de kwaliteit nog te bevorderen. (vb. door informatiesessies rond thema’s voor de sector)

Programmatie op operationeel niveau
Wanneer er budgetten worden vrijgemaakt voor de uitbreiding van gesubsidieerde kinderopvangvoorzieningen, zal Kind en Gezin, op basis van de inhoudelijke bepalingen in het huidige decreet en haar uitvoeringsbesluiten een programmatie opstellen.

Adviesrol rond beroepskwalificaties en beroepscompetentieprofielen voor kinderopvang
Kind en Gezin zal de Vlaamse Regering adviseren over de verschillende kwalificaties in de kinderopvang en zal instaan voor het formuleren van de onderliggende beroepscompetentieprofielen. Kind en Gezin zal ook initiatief nemen om bestaande kwalificerende trajecten bij te sturen en nieuwe kwalificerende trajecten uit te werken. Uiteraard kan deze adviesrol slechts zinvol worden ingevuld mits voorafgaand overleg, onder meer met de sociale partners uit de kinderopvangsector.

§2.De afbakening van de groep kinderen waarvoor er buitenschoolse opvang wordt aangeboden, wordt niet langer strikt op 12 jaar gelegd, wel op kinderen die naar de basisschool (dit is kleuterschool en lagere school) gaan. In de basisschool kunnen mogelijk kinderen tot 14 jaar zitten.

In §3 wordt een gelijkaardige aanpassing voorzien als in §2, maar tevens impliceert dit artikel dat de mogelijkheid om te werken als gemelde opvang en de meldingsplicht voor buitenschoolse opvang wel behouden blijft. Deze is met het decreet kinderopvang enkel opgeheven voor de voorschoolse kinderopvang.

De taalkennisbepaling uit het Kind en Gezin-decreet wordt buiten werking gesteld voor de voorschoolse kinderopvangvoorzieningen, aangezien dit een verplichting is in het kader van de vergunning van kinderopvangvoorzieningen. Deze bepaling zal dus wel blijven bestaan in het Kind en Gezin-decreet, maar dan louter van toepassing zijn op de buitenschoolse kinderopvang.

Artikel 33 en 34.

Ook het decreet dat bezwaarprocedures regelt zal aangepast moeten worden naar de term ‘vergunning’.

Daarenboven is een inhoudelijke aanpassing nodig opdat ook bezwaar mogelijk zou zijn tegen de vergunningsbeslissing zelf, niet enkel tegen ‘voornemens’ gezien wat kinderopvang betreft niet gewerkt zal worden met voornemens. Er zal pas een vergunning toegekend worden, na onderzoek, en dit betreft dan direct een ‘beslissing’, het gaat niet over een voornemen.

Bovendien wordt een nieuwigheid ingevoerd. Voor het eerst zal de adviescommissie ook bevoegd gemaakt worden voor het behandelen van bezwaardossiers in verband met subsidiëring.

Artikel 35.

Dit artikel bevat de noodzakelijke overgangsmaatregelen bij de inwerkingtreding van dit decreet.

Alle kinderopvangvoorzieningen die op datum van inwerkingtreding van dit decreet een erkenning, toestemming of attest van toezicht hebben, zullen automatisch een vergunning krijgen op basis van dit decreet.
Aan bepaalde vergunningsvoorwaarden zullen zij onmiddellijk moeten en kunnen voldoen, voor andere vergunningsvoorwaarden zullen zij een overgangstermijn krijgen om zich in orde te stellen met de nieuwe vergunningsvoorwaarden. De Vlaamse Regering zal deze concrete voorwaarden en termijnen bepalen.

Voor de subsidiëring geldt dezelfde regeling. Op basis van hun activiteiten zal elke kinderopvangvoorziening in een bepaald subsidieniveau ondergebracht worden. Een besluit van de Vlaamse Regering zal bepalen op welke termijn aan alle voorwaarden voor de subsidiëring moet voldaan zijn.

De termijnen moeten toelaten om de overschakeling naar de nieuwe regelgeving te realiseren, maar kan ook niet te lang zijn opdat de vernieuwing van het kinderopvanglandschap niet te lang zou aanslepen.

Artikel 36.

De inwerkingtreding van dit decreet is zinloos zolang er geen uitvoeringsbesluiten zijn. Daarom wordt de inwerkingtreding van het decreet afhankelijk gemaakt van een datum te beslissen door de Vlaamse Regering. De bedoeling is dat deze datum rekening houdt met minstens de ingangsdatum van cruciale uitvoeringsbesluiten, zoals de concrete invulling van de vergunningsvoorwaarden, van de subsidievoorwaarden en ook de procedures om vergunning en subsidie te kunnen bekomen.

Aangezien het echter niet de bedoeling is dat de sector volledig in het ongewisse is over de termijn van inwerkingtreding, wordt aan de Vlaamse Regering de verplichting opgelegd om deze datum uiterlijk op 1 januari 2015 vast te leggen. Het is dus aangewezen dat ook alle andere nodige uitvoeringsbesluiten binnen deze termijn genomen zijn. .

BIJLAGE 1

Toelichting bij het wetenschappelijk onderzoek dat het belang aantoont van een kwaliteitsvol pedagogisch beleid in kinderopvang in functie van een gunstige ontwikkeling van elk kind.

Situering van het belang van ontwikkeling voor elk kind

In het Jaarboek ‘Armoede en Sociale Uitsluiting 2008’ toont men aan dat armoede de ontwikkelingsscores van kinderen al vanaf het eerste levensjaar naar beneden haalt. Het gaat hierbij om verschillende ontwikkelingsdomeinen; niet enkel cognities en taal, maar ook motoriek, zelfredzaamheid en sociaal emotionele ontwikkeling. (Vranken, J., Campaert, G., De Boyser, K., Dewilde, C & Dierckx, D. (red.) (2008). Armoede en Sociale uitsluiting. Jaarboek 2008 (pp. 147 - 149) Leuven/ Voorburg: Acco)

Situering van de diversiteit aan gezinnen in Vlaanderen
Cijfers uit het jaarrapport van het Kind in Vlaanderen 2009 leren ons dat 78,8% van de in 2008 in het Vlaamse Gewest geboren kinderen thuis het Nederlands als thuistaal heeft. Als indicator wordt de taal die de moeder met het kind spreekt gehanteerd. Bij 21,2% van de pasgeborenen spreekt de moeder thuis dus een andere taal, vooral Frans (4,2%), Arabisch (3,7%) en Turks (3%). Vooral in de provincies Vlaams-Brabant en Antwerpen telt Kind en Gezin heel wat moeders die een andere taal dan het Nederlands spreken met hun kind: 31% in Vlaams-Brabant, bijna 28% in Antwerpen. In Vlaams-Brabant, dicht bij Brussel, is dat voornamelijk Frans (16,4%). In Antwerpen komen Arabisch (6%) en Berbers (4,6%) het meeste voor als vreemde talen.
In het IVRK (artikel 29, 30) staat bij het recht op identiteit, o.a. de taal en eerbied voor de eigen culturele identiteit, taal en waarden.

Opdracht van kinderopvang in dit verband:

Kinderopvang heeft als opdracht om zorg te dragen voor de meest kwetsbare groep van de samenleving. Baby’s en peuters vragen om specifieke zorgen zodat hun gezondheid, zijnde hun lichamelijk, psychisch en sociaal welzijn, gevrijwaard wordt. Baby’s en peuters bevinden zich in een zeer cruciale fase van hun groei en ontwikkeling. Een mens groeit en ontwikkelt nooit nog zo spectaculair als in die eerste levensjaren.
De ontwikkeling is een dynamisch proces tussen kind, opvoeder(s) en omgeving. Er is sprake van een voortdurende wisselwerking tussen deze drie. Voor een baby is de essentiële ontwikkelingstaak het eerste levensjaar om zich veilig te hechten aan zijn ouder en andere opvoeder(s) - zoals bijvoorbeeld de begeleider in de kinderopvang- zodat er een goede emotionele communicatie is tussen de zuigeling en de primaire opvoeders. Indien de omgeving onvoldoende zorg en aandacht aan het kind schenkt, kunnen stoornissen of vertragingen ontstaan in de groei en ontwikkeling van het kind.
De kennis over de biologische impact (neurobiologisch en epigenetisch) van omgevingsfactoren op de groei en ontwikkeling van kinderen neemt gestaag toe. Enkele illustraties.

Volgens het UNICEF- Report toont neurowetenschappelijk onderzoek aan dat de relatie tussen baby’s en gezinnen of primaire verzorgers cruciaal is voor de emotionele, psychologische en cognitieve ontwikkeling van het kind. Als deze relatie niet goed loopt, kan dit aanleiding geven tot ontwikkelings - en gedragsproblemen, die in bepaalde gevallen het kind het hele leven lang parten spelen. Wederzijds stimulerende interacties tussen kinderen en hun gezinnen of primaire verzorgers zijn cruciale voorwaarden voor de ontwikkeling van gezonde hersencircuits en van allerlei, steeds complexere (emotionele, cognitieve en sociale) vaardigheden bij het kind. ‘…liefdevolle, stabiele, veilige en stimulerende relaties met verzorgers tijdens de eerste levensmaanden en – jaren (zijn) cruciaal … voor alle aspecten in de ontwikkeling van een kind.’ (UNICEF, 2008, p. 6)

De eerste drie levensjaren zijn kritische fasen in ontwikkelingsopzicht. De stelling van Shonkoff (2009) is dat de ervaringen van de eerste jaren letterlijk de fundamenten vormen van het toekomstig functioneren van het kind. De hersenontwikkeling van een kind wordt gestuurd in interactie met de psychosociale leefomgeving. Affectieve ervaringen sturen vanaf het prille begin de opbouw en de architectuur van de hersenen. Zo wordt de basis gelegd van het emotieregulatievermogen, het aandachtsvermogen en het communicatievermogen, die alle drie vorm geven aan affect, waarnemen, (sociaal) gedrag en leervermogen.

Het NESSE-rapport van het netwerk van onafhankelijke experts ‘early childhood education and care’ (ECEC) (2009) dat werd voorgelegd aan de Europese Commissie formuleerde een 20-tal conclusies voor het beleid over de sociale voordelen van ECEC. Hierbij enkele conclusies die gelinkt worden aan dit thema:
. kwaliteitsvolle opvang die alle kinderen ten goede komt en hen socialiseert voor de start van de school, speciaal kinderen van kansengroepen halen hier voordeel uit.
. ECEC van slechte kwaliteit kan meer schade aanrichten dan goed doen en kan de ongelijkheid tussen kinderen vergroten.

Labels

Tom op Flickr

www.flickr.com
This is a Flickr badge showing public photos and videos from Tom DEHAENE. Make your own badge here.

Logo Tom Dehaene informeert